Je herinnert je een scène uit Felix Van Groeningens „De helaasheid der dingen” niet vanwege wat er wordt gezegd, maar juist vanwege wat er niet wordt gezegd. Er staat een man in de keuken. Hij kijkt naar een bureau. Naar niets anders. Maar in die ene stilte voel je het gewicht van jarenlange fouten, liefde en spijt. Daar zit geen toeval in. Dat is vakmanschap.
Er is iets dat Belgische regisseurs in de loop der jaren hebben geleerd dat moeilijk te beschrijven is, maar gemakkelijk te herkennen: ze weten hoe ze een verhaal moeten vertellen door bewust dingen weg te laten. Niet omdat ze lui zijn. Niet omdat ze geen ideeën hebben. Maar omdat ze geloven dat de kijker een deel van het gewicht zelf moet dragen. Dat het ware gevoel begint waar het verhaal eindigt.
| Onderwerp | Informatie |
|---|---|
| Beweging | Vlaamse en Waalse auteursfilm, ook wel de “Nieuwe Belgische Cinema” genoemd |
| Belangrijke namen | Chantal Akerman, Jaco Van Dormael, Felix Van Groeningen, Lukas Dhont, Michaël R. Roskam |
| Kenmerkende stijl | Minimalisme, lange opnames, weinig dialoog, nadruk op stilte en lichaamshouding |
| Internationale erkenning | Meerdere Oscarnominaties, Palm d’Or (Cannes), BAFTA-nominaties |
| Periode van opkomst | Jaren 1970–heden, met hernieuwde internationale aandacht vanaf de jaren 2000 |
| Thematische kern | Identiteit, verlies, geheugen, familiedynamiek, het onuitgesprokene in menselijke relaties |
| Productiehubs | Brussel, Gent, Antwerpen; coproducties met Frankrijk en Nederland |
| Filmfestivals | Cannes, Venetië, Berlijn, Ghent International Film Festival |
Het is misschien geen toeval dat deze stijl afkomstig is uit een land dat al lange tijd te maken heeft met het onuitgesprokene. Het is een land waar mensen talen spreken die moeilijk te begrijpen zijn, waar politieke processen jarenlang kunnen aanslepen, en waar het verleden te zwaar is geweest om erover te praten. Zoals een criticus het verwoordde, is film „de ultieme kunst van het weglaten“. Hierdoor heeft het hier bijzonder vruchtbare grond gevonden.

De Belgische regisseur Chantal Akerman, die na haar dood wereldwijd beroemd werd, was wellicht de eerste die dit idee tot een filosofie maakte. Op papier klinkt het vreselijk dat haar Jeanne Dielman een vrouw is die drie uur en twintig minuten lang aardappelen schilt, bedden opmaakt en klanten begroet. Op het scherm val je er bijna van in slaap. Het was pas toen ze het opgaf. Ze deed een tijdje niets. Ze was ervan overtuigd dat de leegte haar iets zou vertellen. En dat gebeurde ook.
Een generatie later werkt Lukas Dhont met dezelfde intuïtie, maar zijn ritme is anders. In Close volgen we twee jongens wier vriendschap op de proef wordt gesteld door wat anderen van hen verwachten. Daar zijn niet veel grote redenen voor. Een beetje drama. Ze kijken elkaar alleen maar aan, geven elkaar een schouderklopje dat iets te lang duurt, en sluiten de deur terwijl de ander nog in de gang staat. Het is moeilijk te zeggen wanneer de film je precies in zijn greep krijgt. Maar dat gebeurt wel.
Deze aanpak maakt mensen ongemakkelijk, ook degenen die de content maken en verspreiden, en soms zelfs kijkers die gewend zijn aan een sneller tempo. Hollywood heeft de soepele verhaallijn geperfectioneerd, maar Belgische films hebben daar nooit echt van gehouden. Daardoor is het soms aan de rand van de filmwereld gebleven. Het heeft het echter wel een unieke persoonlijkheid gegeven die moeilijk te kopiëren is.
Michaël R. Roskam deed het met Rundskop, een film over een politieagent die op zoek gaat naar zijn jeugdvriend. Het echte gevecht vindt pas helemaal aan het einde plaats. Dat is het hoogtepunt van de opbouw. De sfeer. Roskam gelooft dat als een kijker lang genoeg wacht, hij met meer dan alleen spanning wordt beloond. We weten niet of dat altijd zal werken. Maar als het werkt, vergeet je het niet.
In sommige opzichten onderscheidt Jaco Van Dormael zich van de rest. Zijn films, zoals Toto le héros en Mr. Nobody, zijn te rijk om eenvoudig te zijn. Maar hij speelt ook met wat er wordt weggelaten, niet door minder te laten zien. In plaats daarvan laat hij zoveel zien dat de kijker zelf moet beslissen wat belangrijk is. Je zou kunnen zeggen dat het de leegte van de overvloed is.
Al deze regisseurs hebben sterke twijfels over de eenduidige conclusie. Ze sluiten een verhaal zelden netjes af. Ze laten ruimte. Die ruimte voelt niet prettig. Ze vraagt de kijker om iets te doen. Dat is precies de bedoeling, want echte kunst vraagt altijd iets terug.
Afgaande op wat Belgische films de afgelopen decennia hebben voortgebracht, lijkt dit geen stijlkeuze te zijn, maar een manier om eerlijk te zijn. Niet doen alsof de werkelijkheid altijd gemakkelijk te begrijpen is. Alsof verdriet altijd iets te zeggen heeft. Alsof een verhaal altijd een einde moet hebben. Er zijn momenten waarop zwijgen het eerlijkste is wat je kunt doen.
