Het is geen grap meer dat de Amsterdamse theaterwereld vroeger alleen voor rijke, blanke mensen uit de middenklasse was; het is gewoon een historisch feit. In november 1969 zei Paul Binnerts dit hardop in de Stadsschouwburg, terwijl er tomaten door de lucht vlogen: „Kijk eens om je heen – dit is geen afspiegeling van de samenleving.” Dat was een moedige uitspraak voor iemand die zo nauw verbonden was met het establishment. Zelfs na vijftig jaar komt die gedachte nog steeds bij me op.
Men beschouwt de *Aktie Tomaat* vaak als een keerpunt in de geschiedenis, het moment waarop het theater de ivoren toren verliet en de straat op ging. Maar als we de festivals die Amsterdam nu kent, zoals „Over het IJ“ op de NDSM-werf en „Oerol“, dat duizenden mensen uit alle lagen van de bevolking aantrekt, nader bekijken, zien we een complexer beeld. Er is zeker beweging. Maar het is niet duidelijk of die beweging echt democratiserend werkt of dat ze de dingen alleen maar groter maakt.
Denk eens na over hoe festivaltickets tegenwoordig worden verkocht: vroegboekkortingen, ‘vrienden’-passen en lidmaatschappen van culturele clubs. Op papier zijn deze bedoeld voor een breed publiek, maar in de praktijk worden ze vooral geaccepteerd door mensen die al weten hoe het systeem werkt. Er is iets vreemds aan een democratiseringsproces dat grotendeels via mailinglijsten verloopt.

Toch zou het niet eerlijk zijn om alleen maar kritisch te zijn. Want er gebeurt ook echt iets. Festivals als ‘Cement’ in Brabant en programma’s als ‘PLAN Brabant’ werken er hard aan om kunstenaars en publiek dichter bij elkaar te brengen, zowel qua locatie als qua inhoud. Het komt steeds vaker voor dat jonge kunstenaars buiten de grote steden werken, met en voor gemeenschappen die het theater al decennia lang hebben gemeden. Dit lijkt minder een keuze van de programmamaaksters en meer een eerlijkere houding.
Als je met jonge dramaturgen en regisseurs praat – mensen die net zijn afgestudeerd aan de ATD of regieopleidingen – valt vooral op hoe onzeker hun baan is. Het komt zelden voor dat mensen openlijk kritiek uiten op het systeem, terwijl de meesten als freelancer werken en op of onder de armoedegrens leven. In zo’n situatie ontstaat er iets dat een ‘cultuur van angst’ wordt genoemd. Niemand wil het zo noemen, maar iedereen weet wat het is. Er bestaat geen twijfel over wie de schuldige is – je zou namen kunnen noemen – maar je zegt het alleen tegen De Richel en nooit tegen de andere mensen aan tafel.
Dat is misschien wel het meest ontnuchterende verschil tussen nu en 1969. Ook toen waren het jonge mensen die zich tegen het establishment verzetten. Maar ze waren met zo velen, ze hadden niets te verliezen, en de samenleving gaf hen de energie van een generatie die alles tegelijk in twijfel trok. Er is vandaag de dag nog steeds woede en ontevredenheid in de wereld, maar de rebelse geest is verdwenen. Het is niet dat ze het niet willen, maar de manier waarop het speelveld is ingericht, maakt het bijna onmogelijk om een project of subsidie af te slaan die op je pad komt.
Het is dus zowel een succes als een onafgemaakte taak om de theaterfestivals in Amsterdam voor iedereen toegankelijker te maken. Het publiek is groter en gevarieerder dan vijftig jaar geleden. Sommige mensen daarin zijn jonger. Maar de vraag wie er werkelijk beslist welke muziek er wordt gespeeld, wie geld krijgt en welke stemmen gehoord worden, is niet veel veranderd. De sleutel hangt nog steeds aan dezelfde kant van de muur, alsof de deuren open zijn gelaten.
Een andere vraag die niet vaak hardop wordt gesteld, is: wat wil het publiek dat op dit moment niet komt, eigenlijk zien? Niet wat de makers voor hen hebben gepland of wat de subsidieverstrekkers denken dat goed zou zijn voor het onderwijs, maar wat mensen zouden kiezen als het theater van hen was. Dat is de echte vraag die Aktie Tomaat stelde, en we weten het antwoord nog steeds niet.
