Er is iets vreemds aan de hand als niemand meerdere avonden achter elkaar dezelfde taal spreekt, maar iedereen toch begrijpt wat er in het theater gebeurt. Dat is ongeveer wat er gebeurt op internationale theaterfestivals zoals het ITS. Niet door toverkunst, maar omdat jonge makers over de hele wereld stilletjes de spelregels aan het veranderen zijn.
Dit jaar brengen de internationale gezelschappen op het ITS iets mee dat moeilijk in één woord te omschrijven is. Het is een mix van snel moeten handelen en nieuwe dingen uitproberen, van politieke druk en creatieve kunst. Wat opvalt, is hoe weinig de nieuwe generatie theatermakers zich nog houdt aan de regels die al decennialang in Europese opleidingen worden onderwezen. Ze nemen die tradities wel mee, maar beschouwen ze niet als heilige teksten. In plaats daarvan gebruiken ze die om dingen op te bouwen.
De meest opvallende verandering is waarschijnlijk het toegenomen taalgebruik. Vroeger werd een buitenlands toneelstuk bijna altijd in het Engels vertaald. Dat was handig, maar het zorgde er ook voor dat culturen minder duidelijk van elkaar te onderscheiden waren. Nu spreekt een maker op het podium in zijn eigen taal, met ondertitels die onopvallend boven het toneel verschijnen. De voorstelling behoudt haar eigen sfeer. Het verandert niets aan het ritme, de klanken of de emotionele lading van de muziek. De verandering is klein, maar heeft grote gevolgen.
Tegelijkertijd wordt het lichaam op een bepaalde manier als theatraal instrument ingezet. Veel verschillende gezelschappen, voornamelijk uit Oost-Europa en Zuid-Amerika, brengen producties waarin taal geen grote rol speelt. De tekst zit in het lichaam. Dat idee klinkt misschien bekend, maar de manier waarop het nu wordt uitgevoerd is rauw en ritualistischer. Het zijn niet de zeer vaardige bewegingen van een dansgezelschap. Het lijkt meer alsof de artiesten zichzelf uit elkaar halen en weer in elkaar zetten voor het oog van het publiek. Dat kan soms onhandig overkomen. Maar er zijn momenten waarop het juist daarom zo goed werkt.

Mensen merken ook de verandering op in de manier waarop voorstellingen tot stand komen. Veel jonge filmmakers vinden de traditionele structuur – één regisseur, één visie en acteurs die optreden – achterhaald. Het woord ‘co-creatie’ is makkelijk te gebruiken, maar bij het ITS zie je wat het echt betekent: acteurs die ook schrijven, dramaturgen die ook acteren, en scenografen die ideeën voor de inhoud aandragen. Daardoor zijn producties soms minder gepolijst, maar ook complexer. Er klinken meer stemmen in door.
Het gebruik van technologie is op zich al het vermelden waard, ook al is het niet altijd even logisch. Sommige delegaties gebruiken digitale media op een manier waardoor het een bijzaak lijkt. Maar er zijn ook voorstellingen waarbij de grens tussen live theater en filminstallaties bijna onzichtbaar is. Daarna wordt het pas echt interessant. Op dat moment begin je je af te vragen wat theater eigenlijk is en of die definitie nog wel van belang is.
Dit jaar is de politieke situatie die sommige delegaties altijd met zich meebrengen misschien wel hetgeen dat het meest pijn doet. Kunstenaars die theater maken op plekken waar culturele vrijheid beperkt is, maken werk dat politiek lijkt, ook al wordt dat niet zo benoemd. Het is moeilijk om het gewicht van de keuze om überhaupt hierheen te komen om dit te laten zien, te negeren. Wat er buiten de muren van het podium gebeurt, heeft er altijd invloed op. Dit jaar blijft die gedachte me meer dan normaal bij.
Het ITS is geen festival dat grootse uitspraken doet over hoe het theater in de toekomst zal veranderen. Maar als je goed kijkt naar wat de internationale gezelschappen meebrengen, zie je de kiemen van iets nieuws. Taal, technologie, macht en wat een voorstelling kan zijn, zijn allemaal langzaam veranderd. Het was geen revolutie. Misschien zijn dat wel de enige regels op het podium die er echt toe doen.
