Er is iets aan de hand in de theaterwereld in België. Niet de geur van de dood, maar de geur van verandering. Jonge theatergezelschappen in Gent, Brussel en Antwerpen werken op een manier die hun ‘theaterouders’ niet zouden herkennen: ze staan niet onder leiding van een vaste regisseur en niemand heeft het laatste woord. Anders gezegd: iedereen heeft het laatste woord.
Het idee van een theatercollectief klinkt misschien bekend, maar de manier waarop ze werken is dat meestal niet. Want het is niet eenvoudig om een collectief te zijn. Je moet geduldig zijn, bereid zijn om te onderhandelen en klaar zijn om je eigen ideeën opzij te zetten ten behoeve van iets dat groter is dan jezelf. Dat is geen beeld van liefde. Het is ook gewoon hard werken.
| Onderwerp | Jonge Belgische theatercollectieven |
|---|---|
| Thema | Afschaffing van hiërarchie in de theaterwereld |
| Relevante context | Vlaamse kunstensector, Kunstendecreet, fair practices |
| Sleutelbegrippen | Theatercollectief, horizontale structuur, podiumkunsten, co-creatie |
| Geografische focus | Vlaanderen en Brussel |
| Bredere trend | Reactie op institutioneel theater, precaire positie van kunstenaars |
| Vergelijkbare bewegingen | Volksbühne-debat Berlijn, transitie NTGent |
| Publicatietype | Opiniërend magazine-artikel |
De reden daarvoor is daarentegen juist wat het romantisch maakt. Veel jonge kunstenaars die dingen voor het theater wilden maken, merkten dat het allemaal erg gestructureerd was rond één naam, één visie en één persoon met een contract. In een traditioneel stadstheater neemt de intendant of artistiek directeur de beslissingen, spelen de acteurs en zorgen de technici ervoor dat alles werkt. Als je niet in die rollen past, hoor je daar niet thuis. Nog niet zo lang geleden was er een debat over wat er met een organisatie als NTGent moest gebeuren nadat Johan Simons was vertrokken. Dat debat liet zien hoe diep de afhankelijkheid van één centrale figuur geworteld is.
Jonge collectieven reageren hierop, misschien niet altijd bewust, maar wel altijd. Ze bouwen plekken waar beslissingen gezamenlijk worden genomen en waar iedereen die aan een project werkt, inspraak heeft in de richting die het opgaat. Dit gaat over artistieke keuzes, maar ook over geld, het maken van plannen en wie er wanneer aanwezig moet zijn. Er zijn enkele kleine veranderingen die de werkplek nu anders maken.

Het is nog niet duidelijk of dit model op grotere schaal kan worden toegepast. Als vijf mensen samenwerken, kunnen ze snel tot overeenstemming komen. Maar naarmate een onderneming groeit, duren die vergaderingen langer en zijn beslissingen moeilijker te nemen. Sommige collectieven pakken dit aan door kerngroepen te vormen die in de loop van de tijd veranderen, terwijl andere gebruikmaken van leiderschapsrollen die in de loop van de tijd wisselen. Maar dat is precies wat het interessant maakt om in de gaten te houden. Soms voelt het alsof je bouwt terwijl je vliegt.
Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met het bredere economische plaatje. De kunstsector in Vlaanderen heeft het moeilijk om rond te komen. Voor kunstenaars is de situatie erg onstabiel, omdat subsidies geen gelijke tred houden met de kosten en het succespercentage van projectaanvragen op een historisch dieptepunt staat. In die zin is het horizontale collectief ook een manier om beperkte middelen te verdelen. Niemand verdient te veel geld, maar niemand wordt ook volledig buitengesloten. Het is makkelijker om eerlijke praktijken na te leven – het idee dat iedereen eerlijk betaald moet worden voor wat hij of zij doet – als er geen rijke mensen zijn die veel geld verdienen.
Het lijkt erop dat dit zowel een ideologische als een praktische keuze is. Jonge makers weten dat ze in een onzekere wereld werken. Ze kiezen voor structuren die sterk zijn en niet afhankelijk zijn van het vertrek van één persoon, van ziekte of van het feit dat iemand gewoon andere dingen te doen heeft.
Maar het is ook te simplistisch om te zeggen dat het klassieke theater dood is. Kleine groepen kunnen niet doen wat grote instellingen kunnen: ze kunnen geen stabiliteit, langetermijnperspectieven of internationale netwerken bieden. Het is mogelijk dat de toekomst niet ligt in een keuze tussen die twee, maar in de manier waarop ze samenwerken. De meest interessante vraag is misschien niet hoe collectieven de plaats innemen van grote instellingen, maar hoe ze de manier veranderen waarop die instellingen over zichzelf denken.
Na het werk, buiten de repetitieruimtes, praten jonge makers op een opvallende manier over hun leven. Er zullen geen grote manifesten of pamfletten zijn. Gewoon gewone mensen die proberen iets te maken dat eerlijk en goed aanvoelt, en dat hen niet uitput voordat ze zelfs maar begonnen zijn. Dat is een uitspraak op zich. Dit zou wel eens de belangrijkste bijeenkomst kunnen zijn over de grote instelling van de toekomst.
