Sommige festivals breiden uit door concessies te doen. Ze korten het podium in om ruimte te maken voor een extra artiest, regelen een EDM-hit voor het late-night publiek, of voegen een bekende naam toe aan de line-up om de onzekerheid weg te nemen. Dat is niet wat Dekmantel doet. Je kunt er al jaren niet zomaar binnenlopen, juist om die reden.
De weekendpassen zijn elk jaar binnen een paar weken na de eerste line-up aankondiging uitverkocht. Soms binnen enkele minuten, maar zelden binnen enkele uren. En dat terwijl veel Nederlandse festivalgangers de namen op de poster nauwelijks zullen herkennen. Juan Atkins. Objekt. Struction. Je vindt deze namen niet terug op de Pinkpop-lijst, op de radio of op de afspeellijst in de supermarkt.
Het Amsterdamse Bos is echter altijd vol. De organisatie heeft de capaciteit in het verleden bewust bescheiden gehouden, met zo’n 15.000 bezoekers per dag, zodat ze dicht op elkaar staan, maar niet té dicht. Dat is een beslissing die nadelig is voor de zaken. Maar de sfeer wordt er wel door bepaald. Dansvloeren voelen niet aan als toevluchtsoorden in een menigte; ze voelen aan als dansvloeren.
Wat Dekmantel onderscheidt, is geen formule die je in een spreadsheet kunt invoeren. Het is een mentaliteit. De programmeurs duiken in de platenkasten van Berlijn en Detroit om de canon te vinden en om te ontdekken wie die in de toekomst zou kunnen veranderen. Je reserveert een naam als Jeff Mills niet voor festivalgangers die twijfelen of ze wel moeten gaan. Je reserveert hem omdat zijn optreden iets onthult over de oorsprong van elektronische muziek en de gevolgen van het vergeten daarvan.
Het programma van Dekmantel at Dawn heeft een unieke kwaliteit. Zelfs de vroege sessies, die ‘s ochtends beginnen wanneer de meeste festivalgangers nog slapen, trekken een trouw publiek – mensen die bewust vroeg naar bed gaan om erbij te zijn. Dat zegt iets. Er is geen passiviteit onder het publiek. Het heeft een mening, luistert aandachtig en is zich bewust van het werk van de artiesten, dat niet van gisteren is. Een middelmatige boeking van zo’n publiek is moeilijk te vergeven. Misschien wel het beste voorbeeld van hoe serieus Dekmantel zijn eigen esthetiek neemt, zijn de optredens in de Oude Kerk.
Midden in Amsterdam wordt een gotische kerk gebruikt voor ambient en experimentele sets. Het is een onwaarschijnlijke combinatie die consistent werkt. Iets aan die locatie, de akoestiek en de ambiance van zowel het oude als het nieuwe past perfect bij de boodschap van het festivalprogramma.
Je zou gemakkelijk kunnen denken dat de uitverkochte tickets simpelweg te danken zijn aan schaarste. De capaciteit is beperkt en de vraag zal vanzelfsprekend toenemen. Dat klopt echter maar gedeeltelijk. Talloze kleine festivals met kleine zalen raken zelden uitverkocht. Wat Dekmantel ook heeft gecreëerd, is vertrouwen.

De bezoekers weten dat er nooit concessies worden gedaan aan de programmering, dat niemand wordt ingehuurd om een sponsor tevreden te stellen of een sponsorovereenkomst in stand te houden. Mensen betalen maanden van tevoren voor tickets die ze nog niet eens hebben gezien, juist vanwege die zekerheid.Dat is een radicale daad in een festivalwereld die steeds groter en minder riskant wordt.
