Er is iets vreemds aan de manier waarop het in een theater stil kan worden. Niet de aangename stilte van het wachten, maar een scherpere vorm van stilte die mensen ervaren als ze iets zien wat ze liever niet hadden gezien. De afgelopen jaren is dat gevoel sterker geworden in kleine zalen in Parijs, Lyon en Marseille, waar voorstellingen worden opgevoerd over asielzoekers, een groep die het systeem liever onzichtbaar houdt.
Engageerd theater bestaat al een tijdje. In Frankrijk lijkt de situatie op dit moment echter anders te zijn. Wees geduldiger en deel minder flyers uit. Mensen die voorstellingen maken, besteden veel tijd aan het verkennen van de werelden die ze willen laten zien. Ze doen wat hen wordt opgedragen, staan in de rij en praten met ambtenaren. De liedjes die hieruit voortkomen, zijn geen protestliederen. Ze lijken meer op visuele documentaires, met alle gruwelijke details die een camera misschien zou missen.
Wat opvalt, is hoe zorgvuldig deze kunstenaars met de vorm omgaan. Esthetiek is niet alleen belangrijk, het is ook het middel om een doel te bereiken. Het decor bestaat slechts uit een tafel, twee stoelen en wat lege ruimte. En dan is er de tekst. Het doet me denken aan hoe Ilay den Boer bijna een jaar lang bij de IND in Nederland werkte om zijn voorstelling *Solomonsoordeel* te maken. Niet van buitenaf naar dingen kijken, maar ze van binnenuit zien. Er zijn tekenen dat dit idee zich ook in Frankrijk verspreidt.
Natuurlijk brengt dit soort theater een risico met zich mee. Je kunt er gemakkelijk sentimenteel, moralistisch of zelfgenoegzaam door worden. Het publiek is het al zeker van en wil er nogmaals zeker van zijn. De beste schrijvers en kunstenaars zijn degenen die niet aan die drang toegeven. In plaats van antwoorden te geven, stellen ze vragen. Mensen voelden zich niet beter toen ze het theater verlieten; ze waren juist bezorgder.

Op deze manier sluit het Franse toneel aan bij bredere Europese discussies over wat theater werkelijk kan betekenen. Michał Rogulski, een Poolse producent, sprak eind 2024 op een symposium in Keulen over hoe rechts-populistische regeringen culturele instellingen langzaam vernietigen door personeel te ontslaan, subsidies te korten en een sfeer van zelfcensuur te creëren. Het was duidelijk wat hij bedoelde: protesten moeten luid zijn, zichtbaar en langdurig. Maar protesteren zonder plan is slechts lawaai. De vraag is hoe je die twee kunt combineren.
Franse theatermakers hebben hier openlijk moeite mee. In sommige voorstellingen staat een vluchteling naast een acteur en vertelt zijn eigen verhaal. Het is geen naspel; het zijn zijn woorden, zijn stem en zijn pauzes. Het effect schudt je wakker. Als iemand je vertelt hoe het is om drie keer aangevallen te worden en vervolgens een jaar te moeten wachten op een beslissing van een instantie die je naam niet eens kan uitspreken, kun je daar niets aan veranderen of sturen.
Maar het is niet alleen de inhoud die telt. Theater creëert ook een ruimte waar mensen bij elkaar kunnen zitten en niet zomaar weg kunnen klikken. Het voelt bijna ouderwets om het gevoel te hebben dat iedereen er samen in zit, in deze tijd waarin de aandachtsspanne kort is en empathie verandert in gedachteloos scrollen. Misschien is het juist daardoor wel zo krachtig.
Het is moeilijk te zeggen of dit soort theater iets verandert. Dat is altijd het grootste risico van geëngageerde kunst. Maar misschien is de vraag niet óf het beleid verandert, maar wanneer. Misschien is de vraag of mensen veranderen wanneer ze de zaal verlaten, vergeleken met toen ze binnenkwamen. Dat lijkt voorlopig inderdaad het geval te zijn.
