Het oude Lucent Danstheater aan de Spuiboulevard heeft misschien nog steeds een bepaalde uitstraling voor mensen die er ooit zijn geweest. Het werd in 1987 door Rem Koolhaas ontworpen als een plek waar mensen konden dansen. Geen muziek, geen theater, en ook niets daartussenin. Gewoon bewegen. Die duidelijkheid was destijds zowel een keuze als een boodschap: de disciplines bestonden naast elkaar, maar niet met elkaar.
Dat is nu niet meer zo. Helemaal niet meer zo.
Het cultuurcentrum Amare, dat in 2021 zijn deuren opende op de plek van het Lucent en de Dr. Anton Philipszaal, is niet zomaar een nieuw gebouw dat hetzelfde doet. Het is iets waar Den Haag al jaren naartoe groeit, misschien zonder het zelf te beseffen. Een plek waar het Nederlands Dans Theater, het Residentie Orkest en het Koninklijk Conservatorium elkaar niet alleen ontmoeten, maar ook artistiek gaan samenwerken. Het lijkt vanzelfsprekend dat de grens tussen genres daar vervaagd is.
Er is iets aan die verandering dat logisch is en teruggaat tot de jaren zestig. Hans Snoek en het Scapino Ballet behoorden tot de eersten die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog werkten aan het opbouwen van een danssysteem dat ruimte bood voor experiment en internationalisering. Die ruimte werd zorgvuldig gecreëerd, en het was ook heel duidelijk wat het was. Er was dans. Er was theater. Mensen vonden het prettig om elkaar in de buurt te hebben, maar ze drongen niet te ver door in elkaars ruimte.
Toch begon er iets te veranderen. Dansgezelschappen maakten gebruik van gesproken tekst. De toneelmakers lieten hun acteurs bewegen op manieren waarvan choreografen wisten dat die klopten. Componisten schreven partituren die niet langer los stonden van de beweging op het podium. Het was geen grote verandering; het gebeurde langzaam, zoals een verandering die je pas opmerkt als je een paar decennia terugkijkt.

De sloop van de Lucent en de Philipszaal zorgde jarenlang voor veel politieke discussie in Den Haag. De belangrijkste kwesties die aan de orde kwamen, waren geld en architectuur. De gemeente vond het goedkoper om iets nieuws te bouwen dan een oud gebouw op te knappen. Tegenstanders van het plan wilden de bestaande gebouwen behouden. Deze mensen hadden gelijk toen ze zeiden dat er iets verloren ging. De meeste mensen in Den Haag kenden de Lucent beter van buitenaf dan van binnenuit. Het was een herkenningspunt.
Maar de belangrijkste discussie, de echte, ging over iets anders. Over de vraag wat een podium in de 21e eeuw zou moeten zijn. Of je nog steeds een pleidooi kunt houden voor aparte gebouwen voor disciplines die steeds meer dezelfde taal spreken. En ik vraag me af of een stad als Den Haag, die internationaal en diplomatiek is en een rijke culturele geschiedenis heeft, niet zou profiteren van een plek die deze vermenging omarmt in plaats van deze te vermijden.
Die vraag heeft een antwoord: Amare. Dit antwoord is echter nog niet overal even goed ontvangen. Problemen met verzakkingen die kort na de opening aan het licht kwamen, leken even symbool te staan voor iets groters. Toch zakken gebouwen af en toe wel eens een beetje. Dat is vervelend, maar geen teken.
Wat echter symbolisch is, is wat er elke avond op die podia plaatsvindt. Het NDT brengt een voorstelling die bewust de grens tussen theater en andere kunstvormen doet vervagen. Studenten van het conservatorium werken samen met dansers in een zaal die daar niet voor bedoeld leek te zijn. Sommige dingen beïnvloeden elkaar op een manier die moeilijk uit te leggen is, maar die meteen duidelijk wordt zodra je er rondloopt.
Er is in Den Haag nooit sprake geweest van culturele bravoure zoals in Amsterdam, en misschien was dat ook nooit de bedoeling. Maar juist in die relatieve rust heeft de stad iets interessants opgebouwd dat verder gaat dan luidruchtig aangekondigde vernieuwing. De grens tussen dans en theater is hier niet volledig uitgewist. Ergens in de afgelopen jaren is die grens gewoon opgehouden te bestaan.
