Diesel ruikt vies als je er niet op let. Achter het festivalterrein, voorbij de foodtrucks en de rijen voor de toiletten, staan grote grijze generatoren die nooit stil staan. De stroom voor de podia, de verlichting, de koelwagens en de 8.000 oplaadpunten waaraan mensen inmiddels gewend zijn geraakt, komt daar vandaan. Achter de schermen verbrandt die machine brandstof in een tempo waar de meeste mensen liever niet aan denken, terwijl het publiek meezingt met de hoofdact.
Er zijn deze zomer veel festivals in Nederland en België. Sterker nog: meer dan ooit. Er zijn subpodia, lichtshows die een kleine stad zouden kunnen verlichten, en tienduizenden mensen bezoeken elk evenement gedurende meerdere weekenden. Zoveel stroom moet ergens vandaan komen. Meestal komt die nog steeds van dieselgeneratoren. Dat is niet omdat er geen andere opties zijn, maar omdat het systeem al decennia lang zo is opgezet, en het even duurt om oude gewoontes te doorbreken.
Wanneer onderzoekers kijken naar hoeveel energie er op festivals wordt verbruikt, valt niet alleen op hoeveel er wordt verbruikt, maar ook hoe inefficiënt dat gebeurt. Uit meer dan 270.000 gegevenspunten die op Nederlandse festivals zijn verzameld, bleek dat gemiddeld 77% van de generatoren slechts op 20% van hun volledige vermogen draaide. Bijna de helft had op piekmomenten twee keer zoveel vermogen als nodig was. Op één festival draaide de generator bij het hoofdpodium slechts op een kwart van zijn volledige vermogen. Een achtste van een dollar. Niemand lette er echt op, maar de motor verbruikte brandstof en de uitlaat stootte CO₂ uit in de lucht.
Dit is geen nieuw idee. Brits onderzoek uit 2012, uitgevoerd met hulp van De Montfort University, toonde aan dat de stroomvoorziening op alle acht onderzochte festivals altijd minder dan een kwart van de capaciteit bedroeg. Men is zich dus al jaren bewust van het probleem. Toch bleef het idee lange tijd bestaan: bestel meer dan je nodig hebt, voor het geval er iets misgaat. Dit overdenken kost de sector elk jaar enorm veel geld en tijd.

Als je niet meerekent hoe mensen van en naar het festival reizen, is elektriciteit verantwoordelijk voor ongeveer 65% van de CO2-uitstoot van het festival. Wauw, dat is echt een groot aandeel. Het laat ook zien waarom sommige organisatoren hier nu aandacht aan besteden. Ecofest in België is al overgestapt op 100% hernieuwbare netstroom, wat naar verwachting tussen de 12.000 en 15.000 liter diesel per evenement zal besparen. En dat zijn er heel wat. Die met brandstof gevulde tankwagen rijdt niet meer op de weg.
Er is de afgelopen jaren inderdaad beweging gekomen. Uit een enquête in de sector bleek dat meer dan de helft van de festivalorganisatoren in Europa gebruikmaakt van LED-verlichtingsmasten. Een derde controleert nu actief hoeveel brandstof generatoren verbruiken. Dat klinkt misschien niet als veel, maar wie weet hoe lang de sector aan zijn oude gewoontes heeft vastgehouden, weet dat dit een grote verandering is. Langzaam, maar duidelijk zichtbaar.
Toch is er een fundamentele spanning. Mensen komen meestal samen op festivals om zich vrij te voelen, om bij andere mensen te zijn en om even nergens aan te denken. De kwestie van duurzaamheid past niet helemaal in dat plaatje. Mensen staan niet op een festivalterrein en vragen zich af hoeveel liter diesel er elk uur wordt verbruikt. Ja, dat snap ik wel. Maar mensen kunnen geen verandering teweegbrengen, want zij zijn degenen die de beslissingen nemen lang voordat de kassa’s opengaan. Het moet van de organisatoren en leveranciers komen.
Het is nogal ironisch dat een festival er trots op is dat er fietsenrekken bij de ingang staan, dat er biologisch bier wordt geschonken en dat er wordt geprobeerd plasticvrij te zijn, maar dat er achter het hoofdpodium een generator staat die op slechts 10% van zijn capaciteit draait en diesel verbrandt. Ze bedoelen er niets kwaads mee. Simpel gezegd: het systeem klopt nog niet helemaal. En het afschaffen van dat systeem is waar de festivalzomer echt om draait.
