Er is iets unieks aan de manier waarop de theaters in Utrecht worden gerund. Mensen die een avond door de stad slenteren, vragen zich misschien af hoe het allemaal mogelijk is als ze zien hoe klein sommige zalen zijn en hoe weinig mensen er binnenkomen. Het valt hen misschien ook op hoe weinig er wordt gesproken over ‘ervaring’ en ‘merkbeleving’. Of het allemaal wel goed is zo. Maar dan is er een voorstelling die je op een manier raakt zoals een grote commerciële show dat nooit zou kunnen, en dan snap je het ineens.
De theaterwereld in Utrecht heeft zich nooit echt laten leiden door de logica van de markt. Daar zit geen kans in. Theater Utrecht, het stadstheater dat nationaal en internationaal naam maakt met maatschappelijk relevante producties, kiest bewust voor existentiële thema’s in plaats van gegarandeerde hits. Als het gaat om eerlijke beloning voor makers en technici, loopt creatief directeur Anne Breure voorop.
De Fair Practice Code is geen marketingterm; het is gewoon de wet. Die benadering komt heel nuchter over. Niet idealistisch zoals in sprookjes. Simpel gezegd: zo hoort het te zijn. De zorg dat het Nederlandse theater te commercieel wordt, is niet nieuw. Al in de jaren zestig en zeventig stelden grote stadstheatergezelschappen zich dezelfde vraag: speel je voor uitverkochte zalen of speel je om de juiste redenen? Het antwoord veranderde telkens.
Sommige theaters kozen voor een programmering die niemand voor het hoofd stoot en iedereen op de een of andere manier tevreden stelt. Utrecht heeft zich grotendeels van die weg onthouden. Mensen weten, soms hardop en soms in hun hoofd, dat theater dat alleen maar geeft om wat het publiek wil, uiteindelijk niets nieuws te melden heeft.

Dat klinkt misschien wat aanmatigend. Dat is het niet. Mensen uit de buurt die nog nooit eerder in een theater zijn geweest, maken gebruik van Theater Kikker. Dat is niet arrogant; het is juist precies het tegenovergestelde. Subsidies helpen de kaartjes goedkoop te houden en maken risicovolle producties mogelijk die geen kans maken om geld op te brengen, maar die de moeite waard zijn omwille van de kunst. Zonder dat extra geld verdwijnen de randgebieden van het repertoire als eerste. Vaak vindt het meest interessante werk juist in die randgebieden plaats.
Toch is het niet zo eenvoudig als het lijkt. Er zijn diepe wonden geslagen door de discussie over wie wel en wie geen subsidie krijgt. De gemeentelijke subsidie voor het Nederlands Filmfestival werd de afgelopen jaren abrupt stopgezet, maar ‘t Hoogt zette door. Hij was ooit partner in een ambitieus stadsproject dat nooit van de grond kwam. Het is onduidelijk of dat eerlijk is. Het laat zien dat zelfs in een gesubsidieerd systeem beslissingen niet altijd op dezelfde manier worden genomen, en dat artistieke waarde niet altijd een groot verschil maakt.
Dat maakt het juist moeilijker om te beslissen of je het idee moet verkopen. Als subsidies ook politieke beslissingen zijn, gebaseerd op de voorkeuren van ambtenaren en adviescommissies, dan is er niet zo’n grote kloof tussen marktlogica en overheidslogica als theatermakers graag zouden willen geloven. Er is ongetwijfeld een verschil. Maar het is geen vanzelfsprekendheid.
Het is mogelijk dat wat Utrecht uniek maakt, niet zozeer een resolute afwijzing van commercialisering is, maar eerder een diepgeworteld ongemak ermee. Een gevoel dat theater iets verliest als het alleen kijkt naar hoeveel mensen er komen opdagen om het succes ervan te beoordelen. Dat gevoel heb je echt. Het is ook kwetsbaar. Steden en politieke doelstellingen veranderen in de loop van de tijd, en wat vandaag wordt beschermd, is morgen misschien niet meer zo belangrijk. Veel dingen hebben al laten zien hoe snel dat kan gebeuren.
Utrecht daarentegen houdt vast aan een oud idee dat werkt: theater is er niet om zichzelf te verkopen; het is er om iets te zeggen.
