Het is interessant hoe een klein dansgezelschap uit Roemenië, een straattheatergroep uit Portugal en een Amsterdamse voorstellingsruimte zomaar uit het niets kunnen samenwerken. Hun ontmoeting vond niet toevallig plaats op een festival; het kwam tot stand dankzij een Europees subsidieprogramma dat hen hiertoe aanmoedigt en financieel ondersteunt. Afhankelijk van hoe je het bekijkt, komt dit ofwel bureaucratisch ofwel idealistisch over.
In strikte zin heeft de Europese Unie nooit zelfstandig haar cultuurbeleid kunnen bepalen. Maar Brussel is nog steeds in staat om de culturele agenda mede vorm te geven met programma’s als Creative Europe en projecten als Perform Europe. Om de samenwerking in de podiumkunsten over de grenzen heen te bevorderen, is het belangrijk om de nadruk te leggen op eerlijkheid, duurzaamheid en inclusiviteit. Dit zijn woorden die je vaak in beleidsdocumenten tegenkomt, maar in dit geval betekenen ze echt geld.
Een regeling die momenteel veel aandacht krijgt, biedt samenwerkingsverbanden van ten minste drie partners uit de podiumkunsten uit ten minste drie Europese landen de kans om subsidies te krijgen van tussen de 15.000 en 55.000 euro, met extra’s die kunnen oplopen tot 60.000 euro. Maar het is niet zozeer het bedrag dat deze regeling uniek maakt. Wat het uniek maakt, is dat je het niet mag gebruiken om nieuw werk te maken. Alleen producties die al af zijn en klaar zijn om op tournee te gaan, komen in aanmerking. Er was een reden voor die keuze, en het laat zien waar de EU denkt dat het echte probleem ligt.
Want iedereen in de sector weet dat internationale tournees niet gelijkmatig verdeeld zijn. Er is wel een manier. Grote organisaties met sterke netwerken en professionele fondsenwervers weten dat. Kleinere gezelschappen of gezelschappen uit regio’s die niet goed vertegenwoordigd zijn in internationale circuits vallen af. Dat komt niet doordat hun werk niet goed is, maar omdat ze het gevoel hebben dat ze het geld en de logistiek niet voor elkaar kunnen krijgen. Dit programma probeert die leemte op te vullen. Het valt nog te bezien of het zal werken, maar het doel is duidelijk zichtbaar in de manier waarop het is opgezet.

De eerste twee edities geven je een idee. Er werd 3,5 miljoen euro toegekend aan 61 samenwerkingsprojecten met 272 partners en meer dan 80 voorstellingen in 41 landen. Dat zijn er heel wat. Maar het is moeilijk te zeggen hoe diepgaand die samenwerkingen werkelijk waren – of het nu ging om kortetermijnafspraken voor logistieke doeleinden of om langdurige artistieke banden die zonder het programma niet tot stand zouden zijn gekomen.
Het programma onderscheidt zich van veel andere doordat het wil zien hoe je samenwerkt, niet alleen dat je samenwerkt. Criteria die bij de beoordeling worden meegewogen, zijn onder meer een eerlijke vergoeding, het delen van kennis en milieuvriendelijk reizen. Er wordt evenveel gewicht toegekend aan digitale en hybride presentaties als aan livevoorstellingen. Iedereen die zijn werk in het ene land wil tonen en lokale kunstenaars dit in een ander land wil laten uitvoeren, voldoet ook aan de vereisten. Dit biedt ruimte voor verschillende opvattingen over wat ‘internationale tournees’ nu eigenlijk betekenen.
Ook praktische problemen staan in de weg. Het is niet zo eenvoudig als het versturen van een paar e-mails om drie partners uit drie verschillende landen te vinden, samen te werken en een gezamenlijke aanvraag in te dienen vóór de deadline van 22 oktober 2026. Alleen al het goedkeuren van een account kan tot vijf werkdagen duren. Als een organisatie niet weet hoe deze Europese processen werken, kan ze te laat beginnen en de kans mislopen. Juist degenen die dit programma het hardst nodig hebben, zijn vaak het minst betrokken bij de Brusselse subsidiewereld.
Toch valt er wel iets te zeggen voor de omvang en het doel van wat hier wordt opgebouwd. Perform Europe, het bredere kader waarbinnen dit soort programma’s functioneren, wordt ondersteund door een groep bekende Europese netwerken. De verankering is erg slecht. Het budget van deze editie, 1,4 miljoen euro, dat over ten minste 25 partnerschappen zal worden verdeeld, is klein genoeg om selectief te zijn, maar groot genoeg om een verschil te maken voor degenen die het krijgen.
Een manier om dit te beschrijven is dat Europa iets lijkt te willen beschermen dat door marktkrachten en nationale bezuinigingsmaatregelen steeds moeilijker te behouden is: de ruimte voor kunst die grenzen overschrijdt zonder altijd een commercieel doel te hebben. Het is nog niet duidelijk of subsidies die weg open zullen kunnen houden. Maar het feit dat ze bestaan, is op zich al een keuze.
