De manier waarop Tobias Kokkelmans over Heerlen spreekt, is heel interessant. Ze klonk niet opgewonden, alsof ze een verhaal probeerde te verkopen. In plaats daarvan klonk het alsof ze iets had ontdekt wat ze al lang wist, maar niet hardop durfde te zeggen. Hij zei: „De Nederlandse theaterwereld is zoveel rijker dan we doorgaans denken,” toen hij de uitbreiding naar Rotterdam en Parkstad Limburg aankondigde. Het lijkt eenvoudig. Maar achter die zin schuilt een behoorlijk grote verandering in hoe het festival zichzelf ziet.
Lange tijd was het Nederlands Theaterfestival (NTF) vooral een evenement in Amsterdam. Twaalf theaters, elf dagen en één stad. Dat concept werkte. Mensen kwamen opdagen, de pers schreef erover en zakenmensen ontmoetten elkaar in de foyers van de Stadsschouwburg en het ITA. Maar ergens onderweg begon het zwaar aan te voelen. Amsterdam is niet heel Nederland. En de beste voorstellingen van het seizoen zouden in meer dan één stad moeten worden opgevoerd.
In 2025 was de uitbreiding naar Rotterdam en Heerlen een echte proef. In de praktijk voelde het als een keuze die al een tijdje in de lucht hing. De artistiek directeur van Theater Rotterdam heeft er in de loop der jaren een plek van gemaakt waar verhalen worden verteld die elders zelden te horen zijn. PLT in Heerlen, dat dicht bij zowel de Belgische als de Duitse grens ligt, heeft zijn eigen publiek, omgeving en gevoel van regionale identiteit dat de hoofdstad nu eenmaal niet kan bieden. Het festival zelf vond plaats tijdens die twee weekenden in januari en februari. Het was iets heel bijzonders: een vertrouwensproef.

Je kunt dit gemakkelijk zien als louter een manier om iets te verkopen. Meer steden betekent dat meer mensen je kunnen zien en bereiken. Maar dat raakt niet de kern van wat er aan de hand is. De afgelopen jaren hebben mensen in de theaterwereld veel nagedacht over duurzaamheid. Dit omvat duurzaamheid op het gebied van milieu, kunst en geld. Er is een structureel probleem met een bekende productie die na enkele uitverkochte avonden eindigt, maar lang niet haar volledige publiek bereikt. Decentralisatie is een andere manier om die verspilling tegen te gaan.
Maar er speelt ook iets groters. In september 2024 verpestten protesterende theatermakers de openingsavond van het NTF. De boodschap was duidelijk: de manier waarop de overheid verschillende regio’s ondersteunt, voelt oneerlijk aan, de sector staat onder te grote druk en de Randstad krijgt te veel aandacht. Dat protest zorgde voor een ongemakkelijk gevoel, maar was ook eerlijk. Het is onmogelijk dat festivals die beweren de hele sector te vertegenwoordigen, alleen vanuit één stad opereren.
De samenwerking met Vlaanderen voegt hier nog een extra dimensie aan toe. Het TheaterFestival, het NTF en De Brakke Grond steunden het actieplan dat in februari 2026 verscheen. Daarin wordt opgeroepen om grensoverschrijdende coproducties structureel te ondersteunen. Daar is een duidelijke reden voor: podiumkunsten in de Nederlandse taal staan sterker als ze de grens overgaan naar België. Maar juist door die samenwerking moet je anders gaan denken over wat een festival is. Niet een vast programma in een vaste stad, maar een netwerk: dynamisch, met vele stemmen, en tegelijkertijd geworteld in vele gemeenschappen.
Maar het is nog steeds niet duidelijk of dat model ook voor de meeste mensen zal werken. Op papier klinkt decentralisatie goed. In de praktijk ligt het ingewikkelder. Zowel op het gebied van logistiek, geld als organisatie. Het is geruststellend dat het NTF de complexiteit van de situatie niet lijkt te willen verdoezelen. Er zijn plannen om eens per jaar samen te blijven werken met Rotterdam en Heerlen. Sommige mensen zijn ook bereid om verder te kijken dan de grachtengordel. En misschien is dat voorlopig wel voldoende om op voort te bouwen.
