Al maandenlang lopen de spanningen op in de gangen van Nederlandse theaters. Niet voor het podium, maar erachter. In de kantoren van de directeuren, tijdens vergaderingen en in gesprekken tussen programmeurs en artistiek leiders. Het is een simpele vraag, maar niet eenvoudig te beantwoorden: teken je wel of teken je niet?
Begin oktober 2025 maakten meer dan 800 kunstenaars en culturele organisaties uit Nederland en België hun standpunt duidelijk. Het waren mensen als Carice van Houten, Ramsey Nasr en Nasrdin Dchar die erop aandrongen dat zij zich zouden aansluiten bij een culturele boycot van Israël. Theater Rotterdam, Stadsschouwburg Utrecht, het Nederlands Theaterfestival en vele andere groepen sloten zich hierbij aan. Het was een duidelijke en openbare daad, en juist daarom is het zo beladen.
Er zijn instellingen die hebben ondertekend en instellingen die dat niet hebben gedaan. Er zijn mensen in deze sector die graag zeggen dat ze open, divers en maatschappelijk betrokken zijn, maar hun stilzwijgen spreekt net zo luid als hun handtekening. Er heerst nu een soort onuitgesproken druk waardoor mensen denken dat niet meedoen een keuze is vóór iets anders. Dat is een lastige situatie voor instellingen die afhankelijk zijn van overheidssubsidies, publieke taken vervullen en veel verschillende groepen helpen.
De mensen die de boycot hebben opgezet, zijn duidelijk over waar het om gaat: het is gericht tegen instellingen, niet tegen mensen. In de regel worden Israëlische kunstenaars niet geweerd, tenzij hun werk het overheidsbeleid actief ondersteunt of vertegenwoordigt. In theorie is dat onderscheid logisch, maar in de praktijk is het veel moeilijker toe te passen. Hoe bepaal je of een Israëlische componist of regisseur „medeplichtig“ is? Welke organisatie heeft de bevoegdheid om die beslissing te nemen? Dit zijn vragen die langzaam hun weg vinden door de sector.

Bovendien profiteert de theaterwereld van nature van uitwisseling. Het hele systeem is gebaseerd op het idee dat kunst grenzen kan overschrijden, van gastoptredens tot coproducties en internationale festivals. De mensen die de boycot hebben ondertekend, weten dat dit bewust in strijd is met dat principe. Ze schrijven dat dit geen gemakkelijke keuze is en dat de culturele sector gebaseerd is op de overtuiging dat het delen van kunst de wereld beter maakt. Toch hebben ze ervoor gekozen om het te doen. Aan die gedachte kun je zien hoe serieus ze de situatie in Gaza nemen.
Desondanks is er ook kritiek. Die is er wel, maar niet altijd luid. Binnen de sector zijn er mensen die twijfelen aan het nut van een culturele boycot, die erop wijzen hoe ingewikkeld de situatie is, of die gewoon vinden dat theaters niet als politiek instrument mogen worden gebruikt. Dat gesprek vindt niet altijd in het openbaar plaats; de sociale druk is sterk genoeg om meningen voor zich te houden. Het is echter mogelijk dat er meer twijfelaars zijn dan de meeste mensen denken.
Het geldprobleem maakt de zaken nog moeilijker. De Nederlandse overheid geeft veel geld aan theaters. Politici hebben tot nu toe niet gezegd wat ze vinden van wat een boycot betekent voor de subsidierelatie. Het lijkt waarschijnlijk dat hier op een gegeven moment over gesproken zal worden, vooral als de boycot internationale projecten schaadt die deels met publiek geld worden betaald.
Er is nog steeds een groep die voor het eerst sinds lange tijd een duidelijk standpunt inneemt in een geopolitiek conflict. De meningen lopen uiteen over de vraag of dat verstandig is. Maar het valt moeilijk te ontkennen dat dit de relaties tussen collega’s, tussen instellingen en tussen de theaterwereld en haar publiek heeft veranderd. Nu het doek is opengegaan, kan iedereen zien wat erachter verborgen lag.
