Er is een scène in een Amsterdamse repetitieruimte die laat zien hoe twee soorten theater sterk van elkaar verschillen. De acteur komt uit België en wil weten hoe hij een scène moet spelen. De regisseur neemt de tijd om uit te leggen waar de scène over gaat, waarom deze in het stuk zit en hoe deze aansluit op wat eraan voorafging. Hij of zij knikt. Daarna vraagt de acteur opnieuw: „Maar hoe moet ik het spelen?“
Het is maar een moment. Bijna grappig. Er speelt echter meer dan alleen de repetitieruimte. De theateropleidingen in Antwerpen hebben jarenlang vooral gesproken over het „wat“ en het „waarom“. De acteur was verantwoordelijk voor het „hoe“, zoals een jazzmuzikant die het akkoord kent maar de rest van de muziek ter plekke improviseert. In Maastricht lag dat anders. Op de werkvloer was de belangrijkste vraag: „Hoe gaan we hiermee om?“ Het „waarom“ was belangrijk, maar het „hoe“ was de taal die in de praktijk werd gebruikt.
Deze twee benaderingen hebben geleid tot twee verschillende stijlen. Het Nederlandse theater is vaak strak, formeel en soms zelfs virtuoos in de manier waarop het ideeën uitdrukt. De manier waarop emoties in het Belgische theater, en met name in het Vlaamse theater, worden getoond, is rommeliger, persoonlijker en soms ronduit ongemakkelijk. Niet als versiering, maar als basis.
Nederlandse theaterbezoekers worden soms overrompeld door die ruwheid. Als iets in Nederland te serieus dreigt te worden, grijpen mensen automatisch naar ironie. Relativering als een manier om jezelf te beschermen. Mensen die in Vlaanderen werken, lijken die reflex minder te hebben of zijn bereid die te negeren. Ze onderzoeken wat het lichaam kan doen, wat de stem kan zeggen en wat het heden nog kan leren van mythen. Dat pakt niet altijd even goed uit bij een publiek dat gewend is aan intellectuele afstand.

Dat gezegd zijnde, is er nog iets anders aan de hand, iets groters. De vraag die kunstenaars zichzelf stellen, is veranderd sinds de Nederlandse theaterwereld te maken kreeg met bezuinigingen. Niet meer: Wat moeten we zeggen? Maar: Hoe gaan we door? Het ‘hoe’ is geen keuze meer voor de kunst, maar een manier om in leven te blijven. En dat heeft gevolgen die pas veel later duidelijk worden, in een generatie die niet zoveel tijd heeft gekregen om uit te zoeken wat theater voor hen betekent.
Er klopt iets niet aan het idee dat er geen talent is als niemand bereid is grote ondernemingen te leiden. Beleid beïnvloedt op bepaalde manieren wie er vooruitkomt. Op de een of andere manier is het Belgische nationale voetbalteam een wereldmacht geworden. Dat was niet alleen een kwestie van geluk. Jarenlang geld steken in jeugdacademies heeft daartoe geleid. Hetzelfde geldt voor theater. Je kunt de voedingsbodem niet wegnemen en dan verbaasd zijn dat er niets groeit.
De dingen die theater kan doen, zijn vreemd. Niets is belangrijk omdat we allemaal sterven, de wereld blijft doordraaien en voorstellingen gaan voor altijd verloren. Tegelijkertijd is alles belangrijk, om dezelfde reden. We kunnen met die tegenstrijdigheid leven omdat kunst ons die laat zien, niet omdat ze het probleem oplost. Na het zien van een film zegt een zevenjarige jongen: „Verdriet trekt aan de touwtjes.“ Dat is waar theater het beste in is. Niet erg indrukwekkend. Maar wel precies raak.
Het Vlaamse theater heeft dat doel nooit helemaal opgegeven. Dat kan het soms moeilijk maken om naar te kijken. Maar het is ook eerlijk. En eerlijk zijn, ook al is het moeilijk, is een van de meest ondergewaardeerde dingen die een platform kan doen.
