Er is iets vreemds aan de manier waarop Zeeland met zijn verleden omgaat. Het zit niet opgesloten in geschiedenisboeken of musea. Het leeft voort in de polders, de dijken en de namen van kleine plaatsjes waar de meeste Nederlanders nog nooit van hebben gehoord. Het zijn de festivals die dat verleden elke herfst weer naar boven halen, wanneer de zomerse drukte begint af te nemen. Ze raken altijd de juiste snaar, soms op een onverwachte of ongemakkelijke manier.
Dit komt het duidelijkst naar voren tijdens het Zeelands Najaarsfestival. Het evenement vindt dit jaar plaats op de Petrushoeve in Nieuw Namen, helemaal aan het einde van Zeeuws-Vlaanderen. Die keuze is niet toevallig gemaakt. De boerderij ligt aan de voet van een dijk en kijkt uit over een landschap dat door mensen is gemaakt en ook weer gemakkelijk door hen kan worden veranderd. De hoofdvoorstelling *Dit is mijn hof*, gebaseerd op het boek van Chris de Stoop, draait volledig om die spanning tussen de touwtjes in handen hebben en loslaten, tussen thuis zijn en verdwijnen.
Het stuk gaat over een zoon die terugkeert naar de boerderij waar hij is opgegroeid. Zijn moeder gaat achteruit. Het bedrijf heeft het moeilijk vanwege nieuwe milieuwetten. Hoewel het geen groot historisch epos is, heeft het precies de juiste omvang om zo goed te werken. Bij de première zei An Hackselmans, de artistiek directeur, dat het kunst was die „de omgeving een stem geeft“. Dat is precies wat hier gebeurt. Wanneer de acteurs een schuur in- en uitlopen, klinkt het door de muziek alsof de schuur vol koeien staat, ook al zie je geen enkel dier. Het is een slim en kosteneffectief gebruik van middelen dat meer zegt dan een uur lang een decor bouwen ooit zou kunnen.

Een podcast in de bus leidt ons naar de voorstelling en vertelt het verhaal van boer Baken uit de Hedwigepolder. Een akkerbouwer die zijn bedrijf moest sluiten omdat de polder weer aan het water werd teruggegeven vanwege een overeenkomst tussen de Haven van Antwerpen en milieugroeperingen om de Schelde te verdiepen. Hij zei: „Een Zeelander geeft geen land terug aan het water.“ Deze zin bleef even in mijn hoofd hangen. Dat is geen slogan. Dat is een gevoel dat generaties teruggaat, samengevat in één zin. Deze festivals zijn uniek omdat ze het verleden niet proberen te verfraaien.
Er zit geen nostalgisch glansje aan, en er zijn geen folkloristische accenten om de pijn draaglijker te maken. Het Zeeuwse Najaarsfestival kiest bewust plekken die nog steeds leven en pijn doen. Een boerderij die staat waar ze staat omdat daar in het verleden beslissingen werden genomen, terwijl die in verre vergaderzalen werden getroffen. Zeeland weet al honderden jaren hoe het is om je klein te voelen tegenover machtige krachten.
Het Brouwersdam Concert at Sea begon als een klein feestje met een lokale band en is uitgegroeid tot een evenement dat tienduizenden mensen naar de provincie trekt. Het landschap blijft echter belangrijk, zelfs tussen het reuzenrad en de optredens door. Je staat op een dijk. Je proeft het zout. De zon zakt in het water. In zo’n situatie is het moeilijk om je hoofd koel te houden, wat waarschijnlijk ook niet de bedoeling was.
Het water is altijd belangrijk geweest voor Zeeland – niet als achtergrond, maar als vijand. Evenementen als het Nazomerfestival in Vlissingen en Film by the Sea weten dit. Ze laten het landschap niet alleen op de achtergrond zien; ze gebruiken het om het verhaal te vertellen. Juist daarin zit iets wat de meeste culturele evenementen missen: het gevoel dat de plek zelf iets te zeggen heeft.
Dat werkt misschien soms, maar niet altijd. Ook dit jaar moest het Nazomerfestival weer bezuinigen omdat het een subsidie kwijt was geraakt. In plaats van door de provincie van plek naar plek te trekken, bleven ze op één plek. Dat is een groot probleem voor een festival dat juist draait om het bezoeken van nieuwe plekken. Het ziet er echter niet hopeloos uit dat de nieuwe koers – zaaien, groeien en oogsten – zal slagen. Het lijkt er meer op dat het festival doet wat zijn voorstellingen doen: zich aanpassen aan omstandigheden waar het zelf geen invloed op heeft. En dat is misschien wel het meest typisch Zeeuwse aspect ervan.
