Stel je voor dat je in een theater zit. De lichten gaan uit en een beroemde acteur komt het podium op. De stem klinkt bekend en de bewegingen zijn herkenbaar. Halverwege de voorstelling krijg je een gevoel dat je niet helemaal kunt thuisbrengen. Er klopt iets niet. Achteraf kom je erachter dat de persoon die je zag er nooit echt is geweest. Wat je zag, was een digitale kopie, samengesteld uit foto’s, geluidsopnames en computerprogramma’s.
Op dit moment klinkt dit als sciencefiction, maar het is eigenlijk niet zo ver weg. De filmwereld zit al vol met deepfake-technologie. In grote Hollywoodfilms zijn acteurs digitaal verjongd, na hun dood weer tot leven gewekt of vervangen door computergegenereerde kopieën van zichzelf. Na zijn dood verscheen André Hazes als hologram op het podium. De heavy metal-zanger Ronnie James Dio deed hetzelfde. En Gene Wilder, die al tien jaar begraven ligt, spreekt in een Netflix-trailer met een nepsstem. Mensen hebben het theater altijd beschouwd als het laatste bolwerk van de levende, ademende voorstelling. Nu krijgt het te maken met dezelfde problemen.
Erbij zijn heeft altijd de kern van het theater gevormd. Niet alleen voor het publiek, maar ook voor de artiest. Er bestaat een kans dat iemand zijn tekst vergeet of een traan wegpinkt die er niet hoort te zijn. Dit is wat een theateravond onderscheidt van een filmavond. De vraag is wat er overblijft als dat wordt vervangen door een digitale kopie. Het is misschien een spektakel. Maar theater? We zullen moeten afwachten.

Toch beginnen sommige theatergezelschappen langzaam gebruik te maken van de technologie. Niet altijd om acteurs te vervangen, maar om meer mogelijkheden te creëren. Stel je een voorstelling voor waarin een beroemdheid uit het verleden, zoals een dichter uit de 20e eeuw of een componist die inmiddels in de vergetelheid is geraakt, digitaal tot leven wordt gewekt en een toespraak houdt. Een Europees onderzoeksproject genaamd SOLARIS maakte een deepfake van Marie Skłodowska-Curie om mensen te interesseren voor maatschappelijke kwesties.
Er zijn dus goede toepassingen voor deepfakes, maar zoals Federica Russo, de projectcoördinator aan de Universiteit Utrecht, zei, is het moeilijker dan verwacht om er een te maken voor een goed doel zonder daarbij ook nieuwe vragen op te roepen. Vanuit juridisch oogpunt is dit een grijs gebied. In Nederland wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat kunstenaars en hun familieleden de mogelijkheid zou geven om te beslissen of hun stem of uiterlijk digitaal mag worden gekopieerd.
Advocaten die gespecialiseerd zijn in filmrechten zeggen dat contracten niet altijd toestaan dat er digitale wijzigingen worden aangebracht terwijl de productie nog gaande is. Een acteur kan achteraf nog bezwaar maken als die clausule ontbreekt. In de theaterwereld, waar contracten niet zo lang lopen als in de filmwereld, ligt dit wellicht nog gevoeliger.
Er valt ook iets te zeggen over de rol van de acteur. Zolang Taylor Swift nog leeft en voor zichzelf kan spreken, stapt ze naar de rechter om haar gezicht en stem als handelsmerk te beschermen. Wat betekent dat dan voor een theateracteur die misschien niet wil dat zijn oude optreden keer op keer wordt herhaald? Of erger nog, dat een jongere versie van hemzelf digitaal wordt opgeroepen om een rol te spelen die hij al lang niet meer heeft gespeeld?
De mensen in het theater weten hier eigenlijk niets van. Wat mensen in het theater doen, geeft hen het gevoel dat ze deel uitmaken van iets tijdelijks, iets dat er morgen niet meer zal zijn. Het feit dat het verandert, is geen tekortkoming. Dat is juist het punt. Per definitie kunnen deepfakes worden herhaald, gekopieerd en blijven ze voor altijd bestaan. Dat druist in tegen de essentie van theater.
Misschien is het eerlijkst om te zeggen dat technologie noch goed, noch slecht is. De enige vraag is wie er in de toekomst over het gebruik ervan beslist. En of het antwoord komt van de acteur, het publiek of de technologie zelf.
