De lichten in Het Ketelhuis gaan langzaam uit. Op het scherm is een stoffig dorpje in het zuidoosten van Turkije te zien. Achter in de zaal fluistert iemand in het Koerdisch. In Nederland geboren tieners en jongvolwassenen kijken stil en aandachtig toe. Sommigen nemen met hun telefoon een kort filmpje op. Anderen blijven zitten en bewegen geen vin terwijl de aftiteling voorbij rolt.
Het Amsterdamse Koerdische Filmfestival vindt dit jaar voor de vijfde keer plaats. Het begon als een klein project met slechts een deel van een Amsterdams arthouse-theater, een paar films en een kleine groep vrijwilligers. Maar het is uitgegroeid tot iets dat moeilijk in één woord te omschrijven is. Het is in feite een feest. Maar het is ook een plek waar mensen uit twee verschillende werelden elkaar kunnen ontmoeten, herinneringen kunnen ophalen en hun culturele wortels kunnen vinden.
| Informatie | Details |
|---|---|
| Festival | Amsterdam Koerdisch Film Festival (AKFF) |
| Editie 2026 | Vijfde jubileumeditie |
| Locatie | Het Ketelhuis, Amsterdam |
| Thema 2026 | Bakûr – Tussen traditie en transformatie |
| Oprichting | Circa 2021 |
| Organisatoren | Reber Dosky, Maila Ahmad (vrijwilligersteam) |
| Doelgroep | Koerdische diaspora, Nederlandse filmliefhebbers, internationale bezoekers |
| Crowdfunding 2026 | €15.775 opgehaald via Voordekunst (105% van het doel) |
| Bijzonderheden | AKFF Academy voor jonge Koerdische filmmakers, panelgesprekken, live muziek |
| Website | akff.nl |
Een van de organisatoren, Reber Dosky, vertelt hoe die groei zichtbaar is. In het begin werd slechts een klein deel van Het Ketelhuis gebruikt. Nu hebben we meer dan één zaal nodig. Elk jaar komen er steeds meer mensen, waaronder Nederlanders die geïnteresseerd zijn in de Koerdische gemeenschap maar verder niets met hen gemeen hebben. Dat zegt iets. Niet alleen over het festival, maar ook over de films die worden vertoond. Mensen uit alle lagen van de bevolking voelen zich aangetrokken tot goede films.
Het is heel interessant om te zien hoe het festival de ruimte vult. In de foyer hangen traditionele Koerdische klederdrachten naast foto’s van filmsets. Tussen de films door eten en drinken mensen Koerdische gerechten. Laat op de avond wordt er govend gedanst, een Koerdische volksdans, op livemuziek gespeeld op de davul en zurna. Het is alsof het festival niet alleen om film wil draaien. Overal is cultuur aanwezig.

Maila Ahmad, een van de medeorganisatoren, wijst op iets wat je misschien niet zou verwachten van een filmfestival: jonge mensen. Veel jonge Koerden die in Nederland zijn opgegroeid, kennen hun verleden vooral uit verhalen die hen thuis zijn verteld. Ze zijn nog nooit in de dorpen geweest, hebben de taal nooit gesproken en hebben de herinneringen nooit zelf meegemaakt. Via films krijgen ze iets terug dat op een andere manier moeilijk te begrijpen zou zijn.
Nostalgie is niet het juiste woord; dat dekt de lading niet helemaal. Je herkent eerder iets wat je nog nooit eerder hebt gezien, maar toch het gevoel hebt dat je het kent. Michiel Leezenberg is filosoof en expert op het gebied van Koerdistan. Hij vertaalde het beroemde Koerdische epos Mem û Zîn naar het Nederlands en bezoekt het festival al vanaf het begin. Hij begrijpt het grotere geheel. Twintig jaar geleden was het niet eenvoudig om Koerdische films te vinden. Nu zijn er meer producties, ze zijn beter, en overal ter wereld duiken Koerdische filmfestivals op. Dat is geen toeval. Er komt langzaam maar zeker een beweging op gang, mede dankzij sociale media en nieuwe technologie waarmee films ook op andere plekken dan de gebruikelijke kunnen worden vertoond.
Toch is er een fundamentele spanning. Koerden hebben geen eigen land, wat het voor filmmakers moeilijker maakt om hun films in andere landen vertoond te krijgen. Festivals zoals het AKFF zijn dus geen luxe, maar een noodzaak. Dit zijn de enige plekken waar filmmakers hun werk rechtstreeks aan het publiek kunnen laten zien, zonder tussenkomst van grote studio’s of distributeurs die niet weten wat ze ermee aan moeten. Beyar Altefli, een 26-jarige man die in Nederland is geboren in een gezin uit Qamishlo, Syrië, bezocht het festival dit jaar voor het eerst.
Hij was er nog nooit eerder geweest. Maar in sommige films zag hij landschappen en familiescènes die hem deden denken aan de verhalen die zijn ouders hem vertelden. Er zijn scènes waarin mensen samen eten en muziek maken. Alledaagse dingen. „Op de Nederlandse televisie zie je Koerden bijna nooit vanuit hun eigen perspectief“, stelde hij vast. Dat zegt genoeg.
Het is moeilijk te ontkennen hoe belangrijk dat op dit moment is. Cultuur en vrijheid van meningsuiting worden in Rojava en Rojhilat tot het uiterste op de proef gesteld. Daardoor zijn de films die het AKFF vertoont nooit louter interessante culturele items. Op het eerste gezicht lijken ze voor veel bezoekers geen verband te hebben, maar dat is wel degelijk het geval.
Het is nog niet duidelijk of het festival de komende jaren steeds groter zal worden. Het wordt volledig door vrijwilligers gerund en het geld komt uit verschillende bronnen, zoals publieke crowdfunding. Via Voordekunst haalde het festival in 2026 meer dan 105% van zijn doelstelling op. Dat is een goed teken, maar geen garantie. Eén ding is echter zeker: we zullen dit soort ruimte nog steeds nodig hebben. Het wordt steeds erger.
