Bovenop het gebouw staat een gouden lier. Niet als versiering of als leuk bezienswaardigheidje voor toeristen, maar als een statement. Het instrument van Apollo, gemaakt van koper en bladgoud, kijkt neer op het Museumplein alsof het wil zeggen: „Hier wordt muziek serieus genomen.“ Het lijkt misschien een kleinigheid, maar als je voor het eerst voor het Koninklijk Concertgebouw staat, weet je meteen dat het nooit bedoeld was als zomaar een concertzaal.
Het Concertgebouw werd gebouwd in een veengebied, dat destijds net buiten Amsterdam lag. Het werd ondersteund door 2.186 houten palen die diep in de grond werden geslagen. Dat gebeurde in 1883. Na de opening, op 11 april 1888, vond er in de Grote Zaal een concert plaats met 120 musici en een koor van 500 zangers. Wagner, Händel, Bach en Beethoven – geen geringe lijst voor de openingsavond. Dat begin was duidelijk ambitieus en zette de toon voor alles wat daarna kwam (zie hieronder). De Grote Zaal is 44 meter lang, 27,5 meter breed en 17,5 meter hoog. Die afmetingen zijn geen toeval.

Architect Adolf Leonard van Gendt liet zich inspireren door het Neue Gewandhaus in Leipzig. De ruimte die hij ontwierp heeft een nagalmtijd van 2,8 seconden als er niemand aanwezig is. Dat lijkt misschien een kleinigheid, maar musici en kunstliefhebbers hechten er veel waarde aan. De Grote Zaal wordt beschouwd als een van de drie beste locaties ter wereld om symfonische muziek te beluisteren, samen met de Symphony Hall in Boston en de Große Musikvereinssaal in Wenen. Daar valt weinig tegen in te brengen.
Het Concertgebouw is echter geen museum. Er komen 85.000 mensen op af en er worden bijna 900 concerten per jaar gegeven. Muziek variërend van de late romantiek tot jazz, van wereldmuziek tot nieuwe composities staat allemaal op het programma. Er is gekozen voor een breed aanbod, ook al weet iedereen dat de muziek van Mahler of Bruckner het beste klinkt in de Grote Zaal, en niet via luidsprekers. Of je het nu leuk vindt of niet, de akoestiek vormt een deel van de identiteit van de kunst.
Ook de geschiedenis van het gebouw is niet zo onberispelijk als de glanzende gevel doet vermoeden. Vanwege de „ariseringsmaatregelen“ werden tijdens de Tweede Wereldoorlog zeventien joodse orkestleden ontslagen. Pas in 2020 werd er, na hun overlijden, een gedenkteken achter de Grote Zaal onthuld ter nagedachtenis aan hen. We hebben lang moeten wachten. Hoewel er sindsdien meer over die tijd wordt gesproken, blijft het een smet op een verder schitterende geschiedenis. Ook de afgelopen jaren waren niet rustig, met afgelaste concerten, controversiële kwesties rond veiligheid en religie, en vragen over de financiële structuur van de organisatie. Het Concertgebouw draait niet vanzelf, hoe graag mensen dat ook zouden willen.
Maar als je de zaal binnenloopt, valt vooral op hoe menselijk het allemaal aanvoelt. Dit kun je pas ten volle begrijpen als je er zelf bent. De lange trappen aan weerszijden van het orgel geven elke ingang een dramatische, bijna ceremoniële uitstraling. Zo komen dirigenten en solisten de zaal binnen. Door de ovale vorm van de Kleine Zaal op de tweede verdieping voelt deze persoonlijker aan dan de meeste grote zalen. Er is plaats voor 438 mensen. Op de begane grond bevindt zich de Spiegelzaal, met deuren die uit spiegels bestaan. Deze zaal wordt voornamelijk gebruikt als foyer, maar er worden ook radioprogramma’s opgenomen. Het gebouw bestaat uit lagen die je in eerste instantie niet ziet.
Ter gelegenheid van zijn 125-jarig jubileum in 2013 kreeg Het Concertgebouw de titel ‘Koninklijk’. Sindsdien staat het bekend als Het Koninklijk Concertgebouw, iets wat veel mensen al veel eerder zo ervoeren. Het is mogelijk dat een gebouw dat al meer dan honderd jaar de thuisbasis is van dirigenten, dat politieke onrust, oorlog en interne conflicten heeft doorstaan en waar nog steeds elke stoel bezet is, die naam eigenlijk nooit nodig heeft gehad. De muziek sprak voor zich.
