Als het juni wordt, heerst er in Amsterdam een sfeer die moeilijk uit te leggen is aan mensen die er nog nooit zijn geweest. Een bezoek aan het Holland Festival is niet te vergelijken met andere festivals. Er is geen confetti, geen foodtrucks die friet verkopen voor veel te veel geld, en geen headliners die je al drie keer hebt gezien. Het is niet zo luidruchtig, maar wel veel intenser. De 79e editie, die eind juni afliep, liet opnieuw zien waarom kunstliefhebbers van over de hele wereld speciaal voor dit evenement naar de Nederlandse hoofdstad komen.
Niet elke voorstelling is hetzelfde. Sommige dingen worden opgevoerd, besproken en vervolgens langzaam vergeten. Er zijn echter altijd een paar die eruit springen – in de gedachten van mensen, in recensies en in gesprekken die nog weken na afloop plaatsvinden. Dit jaar waren er vijf van dit soort voorstellingen, en het is niet overdreven om te zeggen dat de meeste mensen geen tijd hadden om op tijd kaartjes te bemachtigen.
De wereldpremière met gamelan trok meteen de aandacht van critici en programmeurs van over de hele wereld. Hoewel de gamelan al eerder in experimentele muziek is gebruikt, voelde het als een zeldzame traktatie om het op deze manier in te zetten en te combineren met moderne compositiemethoden. Er hing een energie in de zaal die moeilijk te beschrijven is. Het was alsof de aanwezigen wisten dat ze iets verbazingwekkends te zien kregen, maar er tegelijkertijd ook een beetje nerveus over waren.
Vervolgens was er „Spem in Alium“, gemaakt door Saburo Teshigawara en Vox Luminis XL. Teshigawara is een choreograaf die nooit doet wat je van haar verwacht, en deze voorstelling was daarop geen uitzondering. Toen zijn bewegingstaal werd gecombineerd met de rijke polyfonie van het ensemble, voelde de voorstelling tegelijkertijd ijskoud en diep menselijk aan. De volgende ochtend schreven mensen in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk er negatieve dingen over.

Dat zegt echt veel. ‘We Are The House’, van Tomoko Mukaiyama, ging over abortuszorg, iets waar veel mensen in het openbaar liever niet over praten. Het is makkelijk om dit soort dingen ‘zwaar’ of ‘moeilijk’ te noemen, maar Mukaiyama’s aanpak was verrassend rechttoe rechtaan, wat het des te krachtiger maakte. Hoewel er niet veel drama in zat, hing er toch een gevoel van urgentie dat nog lang na afloop van de voorstelling bleef hangen. Toen de mensen de zaal verlieten, waren ze stil, wat misschien wel het mooiste compliment van allemaal is.
De opera ‘Simon Boccanegra’ bij de Nationale Opera & Ballet liet zien dat het Holland Festival klassiekers weet te brengen zonder dat ze in het verleden blijven steken. De productie had een frisheid die je niet altijd ziet in klassieke opera. De zangers, de regie en het decorwerk werkten allemaal samen op een manier die zeer zeldzaam is, zelfs in de drukste zalen.
Dan was er nog het optreden van zangeres Naaz Qaqnas, die haar operadebuut maakte. Het was een van de meest besproken momenten van de festivalweek. Je kunt niet uitleggen hoe haar stem klinkt, totdat je hem hoort. Aan het einde van de avond wisten de toeschouwers even niet of ze moesten juichen of stil blijven. Ze kozen kortstondig voor het laatste, voordat ze uitbarstten in een daverend applaus.
Toen deze vijf voorstellingen samenkwamen, deden ze allemaal iets anders. Het soort risico dat er van buitenaf niet uitziet als bravoure: bereid zijn om het publiek te vertrouwen, niet te veel uit te leggen en de kunst zijn werk te laten doen. Dit is iets wat het Holland Festival elk jaar doet, en daarom stond heel Europa er dit weekend om te springen.
