De naam van het festival is op de achterkant van de brochures veranderd. Het gaat niet meer alleen om een lokale brouwerij of een door de gemeente gesubsidieerd kunstprogramma; steeds vaker is het een techbedrijf met een postadres in Californië. Als je er eenmaal op let, valt het op. Soms duiken er op festivals in Amsterdam, Rotterdam en zelfs kleinere steden sponsorlogo’s op van bedrijven die op het eerste gezicht niets met livemuziek of theater te maken lijken te hebben.
De simpele vraag die dan opkomt is: „waarom?“
Dat is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Begin dit jaar waarschuwde de Raad voor Cultuur dat Amerikaanse techgiganten kunst en cultuur zien als „een handige en onbeschermde bron van data“. Dat klinkt kil, maar het beschrijft wel iets wat je in het echte leven kunt waarnemen. AI-modellen worden getraind met beelden, woorden en geluiden. Datapunten kunnen bijvoorbeeld festivalprogramma’s, toneelstukken of podcastopnames zijn. Sponsoring geeft je toegang. Zelfs als het niet opzettelijk of met slechte bedoelingen gebeurt, is de structuur er nog steeds.
Maar het is niet zo zwart-wit als sommige critici het voorstellen. Er zijn AI-bedrijven die echt geloven in de waarde van creativiteit, al is het maar om hun systemen ideeën aan te reiken. Volgens Constant Brinkman, medeoprichter van de AI-galerie Dead End Gallery, is het makkelijker om kunst te maken met AI. Dit kan gevestigde kunstenaars ertoe aanzetten om iets nieuws te proberen. Dat klinkt logisch. Toegankelijker voor wie, en ten koste van wie? Dat is nog een open vraag.

Maar wat opvalt, is hoe snel dit gaat. Een paar jaar geleden waren techbedrijven nog nauwelijks aanwezig in de popcultuur. Uit rapporten in de culturele sector blijkt dat Amerikaanse investeerders nu festivalrechten in Europa opkopen, en dat geld uit Silicon Valley instellingen financiert die vroeger voor alles afhankelijk waren van overheidsgeld. Dat zegt iets over hoe Europa cultuur financiert en hoe techbedrijven in de toekomst met de sector willen samenwerken.
Voor kunstenaars is dit onduidelijk. Maruga Koops, een illustratrice, kijkt met gespannen ogen toe. Het effect op haar orderportefeuille is nog niet helemaal duidelijk, maar ze voelt zich ongemakkelijk bij het idee dat haar werk misschien al door iemand anders wordt gebruikt zonder dat ze het weet. Op een theaterfestival nemen banners van diezelfde bedrijven dat gevoel niet weg. Integendeel, het wordt alleen maar sterker.
De Raad voor Cultuur wil een inhoudsheffing, een vergoeding die telkens moet worden betaald wanneer een AI-systeem iets maakt op basis van het werk van mensen. Mensen staan positief tegenover het idee, maar de uitvoering ervan is lastig. Een trainingsset bevat 100 miljoen afbeeldingen. Hoe bepaal je hoeveel één schilderij waard is? Charlotte Meindersma, een advocate gespecialiseerd in AI en auteursrecht, heeft dat al het grootste probleem genoemd. Het vinden van een sponsor lost dat niet op. In plaats daarvan wordt het verdoezeld.
Er is ook een machtsverhouding die moeilijk te negeren is. Techbedrijven kunnen licentieovereenkomsten sluiten met grote culturele instellingen. Kleine makers kunnen dat niet. Op dezelfde manier helpt festivalsponsoring techbedrijven om bekendheid te verwerven, relaties op te bouwen en contacten te leggen met anderen in de sector, maar het helpt individuele kunstenaars niet veel. Bovendien zijn de nieuwe Medicis slechts aandeelhouders.
Het feit dat dit zo snel normaal is geworden, is misschien wel het meest verontrustende aspect ervan. Het is geen ophef meer als er een AI-logo op een theatervoorstelling verschijnt. Maar men begint pas net te praten over wat dat werkelijk betekent voor zaken als eigendomsrechten, artistieke vrijheid en de manier waarop cultuur wordt gefinancierd. De borden staan er al. De spelregels zijn nog niet opgeschreven.
