Op een woensdagavond staan er mensen tegelijkertijd voor drie verschillende tenten op de Utrechtse Parade. Bij de ene tent begint zich een rij te vormen voor een comedyconcert en het gelach is al door het doek heen te horen. Bij de tent ernaast staan mensen wat stiller, een beetje onzeker over wat er zo meteen gaat gebeuren, want op het bord staat een naam die ze niet herkennen en een genre dat ze niet kunnen plaatsen. Maar ze staan er nog steeds. Dat is de Parade.
Het festival trekt door Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag en bouwt op elke locatie een geïmproviseerde stad op met tenten, foodtrucks en kleine podia. Een tweede laag is al jaren aanwezig in het programma, maar die valt niet meteen op te midden van de accordeonklanken en de geur van popcorn. De sfeer is die van een kermis: vrolijk, kleurrijk en een beetje hectisch in de overgang van middag naar avond. De Parade biedt al jaren ruimte aan artiesten die in meer conventionele omgevingen geen kans krijgen.
Dit heeft een praktische reden. Dertig minuten is een vreemde theatervorm. Te lang voor een flauwe grap, te kort voor een volwaardige dramaturgie. Maar precies lang genoeg om een concept grondig uit te werken. Zo ontrafelt een dansproductie van Conny Janssen Danst in dertig minuten een thema dat in een avondvullend programma doorgaans twee uur aan bod komt, terwijl een lichaamstaalstuk van Jakop Ahlbom Company in diezelfde tijd een eigen universum creëert. Door het kleine format worden kunstenaars gedwongen keuzes te maken die ze in een traditionele theatersetting niet hoeven te maken.
In de context van de Nederlandse theaterwereld is het doelbewuste aanbod van een podium voor gedurfde premières door De Parade belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt. Commerciële theaters zoeken zekerheid. Bewezen kwaliteit wordt vaker beloond met subsidies dan met experimenten. De Parade biedt een podium waar een debuut van een veelbelovende artiest samengaat met gevestigde namen op dezelfde avond, en waar bezoekers per toeval iets nieuws ontdekken terwijl ze van tent naar tent lopen.
Misschien wel het meest waardevolle aspect van het festivalmodel is die toevalligheid. Een toerist die een comedyvoorstelling bezoekt, loopt langs een tent met een glazen kijkvenster en blijft staan als hij iets opmerkt. Hij koopt een kaartje voor de volgende voorstelling. Twintig minuten later zit hij op een bank in een zaal met veertig stoelen, kijkend naar iets wat hij thuis nooit zou hebben aangezet. Zo’n dramatische ontdekking vindt niet plaats in een conventionele omgeving. Toch past het perfect in een carnavalsachtige setting met een hoge mate van toeval en een lage drempel.

Pas als de poorten opengaan, zullen we weten of de Parade van dit jaar inderdaad meer neigt naar door critici geprezen programma’s ten koste van luchtiger entertainment, of dat het juist bewust die balans probeert te bewaren. Er zijn echter genoeg aanwijzingen dat het festival zijn creatieve missie serieus neemt en dat het publiek die missie steunt.
