Op avonden dat er een voorstelling van Jelinek plaatsvindt in het Weense Burgtheater, hangt er een bijzondere sfeer in de foyer. Het is moeilijk te omschrijven – misschien een gespannen beleefdheid onder een publiek dat weet dat het iets gaat meemaken wat het niet snel zal vergeten, maar ook niet direct kan benoemen. Elfriede Jelinek maakt theater dat je niet helpt te ontspannen. Ze maakt theater dat je uitdaagt om de taal die je dagelijks gebruikt en wat die verbergt, te onderzoeken.
Die terminologie is de eerste stap in haar aanpak. Jelinek gebruikt de afgeronde formuleringen van de bedrijfscommunicatie, het mediajargon, politieke clichés en reclameslogans – en laat ze hardop zeggen wat ze werkelijk betekenen. De vrijheid van wie, om te kopen wat, en ten koste van wie, is een terugkerend thema in haar promotiemateriaal over vrijheid. Haar politieke discours belicht de gangbare vormen van uitbuiting die te zien zijn in een economie die uit haar voegen barst. Clichés die zichzelf dwingen tot een bekentenis, noemt ze een soort taalkundige performance.
Dit blijkt duidelijk uit de economische context van Die Kontrakte des Kaufmanns, haar reactie op de financiële crisis van 2008. In haar verhaal gebruikt ze financiële termen als ‘vertrouwen’, ‘stabiliteit’ en ‘risico’ totdat de woorden hun neutrale lading verliezen en de machtsverhoudingen die ze weergeven duidelijk worden. Ze past dezelfde methode toe op de logica van de media, politiek populisme en de zelfgenoegzaamheid van de Europese culturele elite, die systematisch haar eigen fascistische verleden verbergt terwijl ze haar eigen cultuur bewondert.
Dit laatste is een terugkerend thema in haar werk en een voortdurende bron van ergernis in Oostenrijk. Als iemand die er lang geleden voor koos om Gemütlichkeit, de comfortabele façade van de Oostenrijkse cultuur, te benaderen als precies wat het soms is: een gordijn dat een onopgelost verleden verbergt, spreekt Jelinek over haar eigen natie. Het feit dat haar werk ondanks de kritiek die ze hiervoor in Oostenrijk heeft ontvangen, regelmatig wordt opgevoerd in het Burgtheater en andere gerenommeerde theaters, zegt iets intrigerends over hoe een samenleving omgaat met een stem die ze liever niet hoort, maar die ze niet kan negeren.
In Die Schutzbefohlenen, een boek over migranten en de bureaucratische structuur die hen behandelt, verandert ze het perspectief. De systemen – de formulieren, de processen en het vocabulaire van de humanitaire organisatie die pretendeert te helpen, maar eerst de ontvanger van die hulp moet categoriseren, registreren en reduceren – worden nu onthuld in plaats van de machthebbers. Wanneer de vluchtelingen in het stuk spreken, zijn hun stemmen duidelijk te onderscheiden van die van de instelling. Dat contrast vormt de kern van het betoog.

Ondanks het winnen van de Nobelprijs maakt Jelinek geen theater dat haar eigenbelang dient. Haar schrijfstijl is nog steeds te breedsprakig, te langdradig en te terughoudend om concessies te doen aan een breed publiek. Dat is ook niet haar doel. Ze schrijft voor mensen die openstaan voor woorden die tot nadenken stemmen, maar geen troost bieden. En dat publiek is er nog steeds, zelfs in 2026, op avonden dat het Burgtheater zijn deuren opent voor een evenement dat niemand van de aanwezigen snel zal vergeten.
