Je verwacht geen theater te vinden als je voor het eerst A-lab binnenloopt. Het gebouw in Amsterdam-Noord heeft ruwe vloeren, open ruimtes en ramen die meer licht binnenlaten dan zou moeten. Het voelt aan als een oud kantoor dat nog steeds wordt verbouwd. Maar juist dat gevoel van ‘nog niet af’ is wat DAS Theatre hierheen trekt. Er is een reden waarom de masteropleiding zich hier heeft gevestigd. Noord heeft iets wat het centrum van Amsterdam al lang niet meer heeft: ruimte om iets uit te proberen zonder dat het meteen af hoeft te zijn.
Er is meer aan DAS Theatre dan op het eerste gezicht lijkt. Het instituut begon als DasArts met Barbara Van Lindt als artistiek directeur. In de afgelopen negen jaar is het uitgegroeid van een experimenteel ontwikkelingscentrum tot een volwaardige masteropleiding. Het is interessant om te zien hoe het instituut de lastige middenweg kiest tussen theorie en praktijk, tussen onderwijs en praktijk, en tussen het handhaven van een canon en het actief ondermijnen ervan. Toen haar werd gevraagd hoe je theater maakt, zei Van Lindt zelf: „De vraag is niet hoe je theater maakt, maar welk theater je maakt en waarom.” Jongeren komen hier elke dag en stellen die vraag in lege ruimtes die nog naar verf ruiken.
| Onderwerp | De nieuwe generatie theatermakers in Amsterdam-Noord |
|---|---|
| Locatie | A-lab, Amsterdam-Noord |
| Instelling | DAS Theatre (onderdeel van DAS Graduate School / AHK) |
| Voormalig artistiek leider | Barbara Van Lindt (2009–2018) |
| Oorsprong | DasArts, experimentele ontwikkelplek voor theater |
| Huidige focus | Masteropleiding voor experimenteel en collectief theater |
| Relevante collectieven | URLAND, BOG., Schwalbe, Tijdelijke Samenscholing, Lars Doberman |
| Overkoepelend thema | Collectief maken, interdisciplinariteit, maatschappelijk engagement |
| Verbinding met sector | Innovatielabs, Theater Rotterdam, Nederlands Theater Festival |
Wat deze studenten maken, lijkt steeds minder op wat mensen van hun leeftijd vroeger maakten. Groepen als URLAND, BOG. en Schwalbe, die allemaal in Amsterdam zijn ontstaan of groot geworden, werken heel anders dan de bekende collectieven uit de jaren tachtig en negentig. De tekst, de canon van het westerse theater en de grote westerse dramaturg vormden het uitgangspunt voor Discordia en Dood Paard. Een YouTube-video en Stravinsky zijn de eerste dingen die de nieuwe generatie te horen krijgt. Een wetenschappelijk artikel en een fragment uit Jackass zijn ook de eerste dingen die de nieuwe generatie te horen krijgt. Het is niet zo dat ze de canon niet kennen; ze zien die gewoon als één stem onder vele.
Er is iets heel cools aan de manier waarop deze generatie samenwerkt. Ze kiest bijna unaniem voor het collectief. Dat klinkt misschien als een grap, maar het is eigenlijk een serieus antwoord op een systeem dat jonge makers dwingt om meteen met elkaar te concurreren. Er zijn niet veel subsidies, grote gezelschappen laten alleen kunstenaars werken die aan een bepaald profiel voldoen, en productiehuizen zijn strenger dan ze soms doen voorkomen. Studenten omzeilen dat systeem deels door in groepen samen te werken. Ze werken samen aan marketing, papierwerk en het bouwen van de decors. Omdat ze samenwerken, blijven de kosten laag. Het is praktisch, maar er zit ook een morele kant aan.

Er was één presentatie tijdens de Nacht van de Collectieven in een pakhuis in Amsterdam-Noord. Vier groepen waren twee weken lang opgesloten, en er viel iets op dat moeilijk te beschrijven is, maar er zeker was. Een performer die uit een rijdende auto stapte en vervolgens danste op Le Sacre du Printemps. Een groep met spandoeken die iets politiek wil zeggen, maar het niet eens kan worden over wat. Die scènes waren niet bedoeld om dramatisch te zijn. Ze vertelden de waarheid. Er is iets geruststellends aan een generatie die niet met één enkel platform komt, maar juist haar verschillen laat zien.
Het is mogelijk dat juist die houding – voorzichtig, zelfbewust, ironisch maar niet cynisch – dit theater levend houdt. Voor studenten in Amsterdam-Noord betekent het schrijven van de canon niet dat ze zich aan vaste teksten of vormen moeten houden. Er zit een reeks regels en vragen in vervat. Hoe trek je de aandacht van het publiek?
Wat doe je op het podium met techniek? Wat is de verbinding tussen de groep en het individu, en tussen het theater en de buitenwereld? En URLAND onderzoekt wat motion capture doet met de aanwezigheid van een acteur. Schwalbe zegt tegen het publiek dat ze moeten volhouden en blijven bewegen totdat er een massa mensen ontstaat. Door verschillende verhalen samen te voegen tot één geheel, BOG.
