Er was een tijd dat Sziget een echt studentenfeest was. Het klinkt misschien als nostalgie, maar het is gewoon de waarheid. In 1993 kwamen 43.000 jongeren samen op het eiland Óbuda met als enige doel een week samen door te brengen. Goedkope Hongaarse bands, zonder veel poespas. Er was geen sprake van rendement op investering.
Sindsdien is het hele verhaal herschreven. Het begon als Diáksziget en is uitgegroeid tot een van de grootste muziekfestivals van Europa. Het trekt meer dan 400.000 bezoekers, heeft internationale headliners en een productiesysteem dat tientallen miljoenen euro’s kost om draaiende te houden. En ergens onderweg is er iets verloren gegaan. Het is moeilijk te beschrijven wat het precies is, maar iedereen uit Boedapest die het festival al vanaf het begin heeft bezocht, weet wel wat het is.
Een deel van het verhaal is terug te vinden in de cijfers. In het jaar 2024 leed Sziget een verlies van ongeveer 10 miljoen euro. In 2023 stonden de cijfers al in het rood. Het is moeilijk om de vicieuze cirkel te doorbreken van stijgende productiekosten, inflatie die de forint nog zwakker maakt en dalende sponsorinkomsten. Maar het gaat niet alleen om hoeveel het kost om het festival te organiseren; het gaat ook om hoeveel het kost om erheen te gaan.
Een ticketprijs in euro’s die is afgestemd op een westers publiek betekent voor een Hongaar iets anders dan voor iemand uit Amsterdam of Berlijn. Over het algemeen liggen de lonen in Hongarije lager dan in West-Europa. De prijzen van zaken op het festival, zoals drankjes en kampeeraccommodaties, compenseren dit echter niet. In een stille verandering wordt Sziget steeds meer een exportproduct voor toeristen uit andere landen, in plaats van een feest voor de stad die het beroemd heeft gemaakt.

Het is echter niet alleen de schuld van de organisatie. Het basisidee veranderde toen Superstruct Entertainment het festival overnam en het vervolgens overdroeg aan het Amerikaanse investeringsfonds KKR. Vroeger werd er geïnvesteerd met het oog op de lange termijn, maar nu ligt de focus op kostenbesparing en het behalen van het hoogste rendement. Dat is zakelijk gezien logisch, maar het druist in tegen de culturele rol die het festival in Boedapest vervult. In het openbaar noemde de burgemeester van de stad Sziget een teken van vrijheid en diversiteit. Die woorden betekenen wel iets, maar ze betalen de huur niet.
Sindsdien heeft medeoprichter Károly Gerendai de organisatie overgenomen. Het is nog steeds niet duidelijk of dat de koers fundamenteel verandert. Er wordt gesproken over een nieuwe eigendomsstructuur, de plannen voor 2026 zijn bevestigd en festivaldirecteur Tamás Kádár is voorzichtig optimistisch over tekenen van herstel. Misschien is er reden tot optimisme. Er is echter nog steeds structurele herfinanciering nodig. De vraag is welke beslissingen er op dit gebied zullen worden genomen.
De echte kwestie gaat niet alleen over financiële overzichten. Het gaat erom voor wie dit soort festival bedoeld is. Sziget begon als een lokaal evenement en is sindsdien uitgegroeid tot een internationaal festival. Het bevindt zich nu op een punt waarop elke keuze ook een identiteitskeuze is. Blijft het een festival dat Boedapest eert, of groeit het uit tot een groot evenement dat in Boedapest plaatsvindt?
Dat verschil klinkt klein. De mensen die er wonen, vinden het helemaal niet subtiel.
