Dit jaar gebeurt er iets heel interessants in de podiumkunsten. Edinburgh, de hoofdstad van Schotland, is niet langer zo onbetwist het centrum van het onafhankelijke theater als het vroeger was. Elk jaar in augustus verandert Edinburgh in een bruisend theatercentrum. Aan de andere kant ontstaat er in Amsterdam iets dat misschien niet zo groot is, maar in de kern veel sterker aanvoelt.
Het Edinburgh Festival Fringe bestaat al sinds 1947, toen acht verschillende theatergezelschappen besloten om naast het grote Edinburgh International Festival hun eigen evenementen te organiseren. Wat begon als een rebelse daad in de marge van de samenleving, groeide uit tot het grootste kunstfestival ter wereld. Tijdens de drukste periodes werden er meer dan 2,7 miljoen kaartjes verkocht op honderden locaties verspreid over de stad. In augustus verdubbelt de bevolking van Edinburgh letterlijk.
Maar zoveel mensen kost geld. De afgelopen jaren heeft iedereen die de signalen uit de sector heeft gevolgd, waarschijnlijk een gestaag groeiend gevoel van onbehagen opgemerkt. Kunstenaars zijn ontevreden over stijgende huurprijzen voor locaties, het feit dat ze PR-bureaus moeten betalen om hun werk onder de aandacht te brengen, en de sfeer die steeds meer op een handelsbeurs lijkt dan op een plek om creativiteit te ontwikkelen.

Dat rauwe, ongepolijste gevoel van echte ontdekking dat de ‘Fringe-spirit’ wordt genoemd, is er nog steeds, maar het raakt begraven onder lagen van logistiek en zakendoen. Edinburgh is een risicovolle plek voor een jonge kunstenaar die niet veel geld heeft, vanwege de reiskosten, de budgetten voor flyers en de horecagelegenheden die hun prijzen verdubbelen.
Het Amsterdam Fringe Festival kiest voor een andere koers. Van 3 tot en met 13 september biedt het festival dit jaar meer dan 200 voorstellingen op 23 verschillende locaties in de stad. Net zoals Edinburgh dat altijd heeft gedaan, hanteert het een open-toegangsmodel, wat betekent dat iedereen met een verhaal mee kan doen. Toch zorgt de enorme omvang van Edinburgh er soms voor dat het zijn wilde kant verliest, maar Amsterdam lijkt er juist van te houden. Er is ruimte voor experimenten, voor kunstenaars die niet in één categorie passen, en voor theater dat mensen naar een onverwachte plek in de stad brengt in plaats van naar een gepolijste theaterzaal.
Dat zou wel eens het belangrijkste verschil kunnen zijn. Mensen in Amsterdam zeggen graag dat ze de rebelse zusterstad van het Nederlands Theaterfestival zijn. Dat is een goed zelfbeeld. Het succes in Amsterdam heeft de Fringe-traditie, waarvan de naam afkomstig is van het woord ‘frayed edge’ (rafelige rand), nog niet afgezwakt. Het festival is in zijn eenentwintigste jaar volwassen geworden zonder zijn scherpe rand te verliezen. Dat is niet zo eenvoudig als het klinkt.
Het is geen toeval dat theaterliefhebbers en mensen die in de sector werken dit jaar meer aandacht besteden aan Amsterdam. Er zijn steeds meer aanwijzingen die erop wijzen dat Amsterdam de stad is die de meest interessante nieuwe artiesten ontdekt en de meest verrassende voorstellingen opvoert. Dat is misschien nog geen definitief oordeel – Edinburgh is nog steeds indrukwekkend en zijn nalatenschap valt niet te ontkennen – maar er is een verandering in de manier waarop de energie stroomt die zowel subtiel als duidelijk is.
Dit is iets waar Edinburgh een voorbeeld aan zou moeten nemen. De Cambridge Footlights, waar Stephen Fry en Hugh Laurie deel van uitmaakten, hadden vroeger een voorstelling op het Edinburgh Fringe Festival. Het toneelstuk *Rosencrantz and Guildenstern Are Dead* van Tom Stoppard kreeg daardoor zijn start. Wat grote festivals groot maakt, is de opwinding van het ontdekken van iets nieuws en onverwachts. Niet alleen de omvang.
Amsterdam laat ons dit jaar zien dat ruwe kantjes soms scherper kunnen zijn dan gladde. En dat is precies wat theater zou moeten doen.
