Dit jaar zijn er geen Israëlische films te zien op het IDFA. Dat was geen vergissing en ook geen toeval. Het is een keuze die steeds moeilijker te verdedigen valt, zeker voor een festival dat zich al jaren profileert als een plek waar iedereen aan het woord kan komen.
Het begon op de eerste avond van het festival in 2023. Drie mensen met een spandoek van Workers for Palestine liepen het podium op. „Van de rivier tot de zee, Palestina zal vrij zijn“ is een pakkende slogan die iedereen in de zaal kent. Orwa Nyrabia, de artistiek directeur, juichte. Achteraf zei hij dat hij de tekst op het spandoek niet had gezien. Dat kan best waar zijn. Maar het gejuich was er wel. En als het slecht gaat, verandert een gebaar al snel in een standpunt.
| Onderwerp | Internationaal Documentaire Filmfestival Amsterdam (IDFA) |
|---|---|
| Locatie | Amsterdam, Nederland |
| Opgericht | 1988 |
| Artistiek directeur | Orwa Nyrabia |
| Type organisatie | Culturele instelling / filmfestival |
| Aanleiding controverse | Boycot van Israëlische staatsgesteunde films (2023–2025) |
| Positie festival | Beoordeling per casus; geen Israëlische films geprogrammeerd in 2025 |
| Relevante films (uitgesloten) | 5 Broken Cameras, Advocate, The Gatekeepers |
| Bekende betrokkenen | Tami Ravid (filmmaakster), Frits Barend (journalist), Femke Halsema (burgemeester Amsterdam) |
Daarna volgden er veel verklaringen, filmmakers die hun films terugtrokken en open brieven. IDFA probeerde iedereen tevreden te stellen. Het eindresultaat was dat bijna niemand tevreden was. Documentairemakers trokken hun films terug omdat ze dachten dat het festival de stem van activisten zou smoren. Het applaus maakte de Israëlische producenten erg boos. Vanuit twee verschillende kanten tegelijk stond het festival in de schijnwerpers.
Nu, in 2025, is het festival een van de meer dan 700 culturele organisaties die geen Israëlische producties vertonen. Het management zegt elke film afzonderlijk te bekijken, maar het is duidelijk dat er dit jaar geen enkele Israëlische productie op de lijst staat. Uitzonderingen worden niet per ongeluk gemaakt. Dat zegt genoeg.

Een filmregisseur genaamd Tami Ravid, afkomstig uit Israël, schreef hierover een opiniestuk in *Het Parool*. Ze heeft het over films die vaker klassiekers zijn geworden dan festivalbezoekers beseffen. In de Israëlische documentaire „The Gatekeepers“ uit 2012 vertellen voormalige hoofden van de geheime dienst hoe zij dachten over het beleid dat zij voerden. De film werd genomineerd voor een Oscar. *Advocate* gaat over een Israëlische mensenrechtenadvocaat die Palestijnen verdedigt die worden beschuldigd van terrorisme. *5 Broken Cameras* gaat over een Palestijns dorp dat terugvecht tegen Israëlische soldaten. Al deze films hebben een deel van hun financiering van de Israëlische regering gekregen. Ze zouden allemaal blijven waar ze nu zijn: buiten de poorten van het IDFA.
Ravid schrijft dat de IDFA niet alleen een cultureel evenement is, maar ook een plek waar journalisten kunnen werken. Dat verschil is heel belangrijk. Als een kunstorganisatie dat wil, kan ze haar eigen morele grenzen stellen. De taak van een journalistiek platform is anders: het moet verhalen brengen die mensen helpen de zaken beter te begrijpen, ook al komen die vanuit ongemakkelijke invalshoeken. Het is moeilijk om die twee rollen tegelijkertijd te vervullen. Het IDFA lijkt de tweede rol te hebben opgegeven ten gunste van de eerste.
Buiten het Carré Theater, waar vorig jaar tijdens de opening een demonstrant pro-Palestijnse leuzen riep en pamfletten door de zaal gooide, speelt zich in Amsterdam opnieuw hetzelfde conflict af. Dit jaar werd „Verboden voor Joden Femke“ op festivalposters gespoten. Dit was een aanval op burgemeester Halsema, van wie rechts zegt dat ze niet genoeg doet om joden en Israëli’s in de stad te steunen. Het is niet duidelijk wie er achter deze actie zit. Er zit echter wel een boodschap achter. Het feit dat mensen dingen vernielen, laat zien hoe gespannen de situatie rondom het festival is geworden.
Het incident van vorig jaar met journalist Frits Barend laat op kleinere schaal dezelfde verdeeldheid zien. Een activist struikelde over hem en beschuldigde hem ervan hem een klap te hebben gegeven. Dit leidde tot een onderzoek, waarbij twaalf getuigen werden ondervraagd en zes videobeelden werden bekeken. Uiteindelijk was het niet duidelijk genoeg om iemand te overtuigen. „Consensus“ over een „verbale en fysieke interactie“ klinkt als iemand die bang is om te zeggen wat hij echt denkt.
Het lijkt erop dat IDFA al jarenlang in dit debat wordt meegesleurd. Dit festival wil een plek zijn voor films met diepgaande thema’s en vragen die moeilijk te beantwoorden zijn. Maar de manier waarop het als instelling optreedt, lijkt steeds minder in staat om diezelfde complexiteit aan te kunnen. Wanneer mensen geen Israëlische films bekijken die door de regering worden gesteund, lopen ze juist de stemmen mis die tijdens een oorlog het hardst nodig zijn: de kritische, de ongemakkelijke, en de films die vanuit Israël zelf komen en hun eigen regering in twijfel trekken. Het is nog te vroeg om te zeggen of IDFA hierover van gedachten zal veranderen. Maar het valt moeilijk te ontkennen dat een festival dat vroeger bekend stond om zijn durf, veiliger lijkt dan ooit, wat zou kunnen betekenen dat het minder vrij is.
