Op een doordeweekse avond schuifelen zo’n twintig mensen een ruimte binnen die vroeger een opslagruimte was, in een zijstraat in De Pijp. Er staan zes klapstoelen in een halve cirkel opgesteld. Nog voordat iedereen goed zit, begint een acteur te spreken. Er was geen gordijn, geen dimmer en geen bierpauze van acht euro tijdens de voorstelling. Gewoon een verhaal, op ongeveer 1,5 meter afstand van degene die het vertelde. Toch blijft het hangen, misschien juist daardoor.
Amsterdam beleeft steeds meer avonden zoals deze. Aan de rand van het officiële theatercircuit gebeurt er iets verbazingwekkends. De directeur van DeLaMar vraagt zich openlijk af of hij voorstellingen moet afzeggen omdat niemand ze wil zien, en het Concertgebouw waarschuwde jaren geleden al dat het geld opraakte. Microteater, dat wil zeggen voorstellingen in kleine ruimtes voor een kleine groep mensen, vaak zonder enige steun van de overheid, groeit langzaam.
| Tags | Details |
|---|---|
| Onderwerp | Micro-theater in Amsterdam |
| Sector | Cultuur & Podiumkunsten |
| Locatie | Amsterdam, Nederland |
| Relevante periode | 2020 – heden |
| Aanleiding | Leeglopende grote zalen, hoge kaartprijzen, coronanazorg in de cultuursector |
| Betrokken instellingen | DeLaMar, Carré, Klein-Bellevue, Amsterdams Fonds voor de Kunst |
| Trend | Groei van intieme, kleinschalige theaterlocaties buiten de gevestigde circuit |
| Kernvraag | Heeft Amsterdam zijn grote theaters nog wel nodig? |
De vraag is natuurlijk waarom. De cijfers verklaren een deel van het raadsel, en dat zijn geen onbelangrijke delen. In een bekend theater kan een avondje theater voor twee personen al gauw meer dan honderd euro kosten. Dit is inclusief parkeren, reserveringskosten en een drankje tijdens de pauze. Je weet van tevoren niet of die avond je iets zal opleveren, maar het kost wel veel geld. Vooral voor mensen die sinds de pandemie zuiniger zijn met wat ze aan uitgaan uitgeven.
Het gaat echter niet alleen om geld. Mensen hebben ook verschillende ideeën over wat ze van een theateravond mogen verwachten. Sommige toeschouwers vinden dat grote zalen met hun beperkte voorstellingen en jaarlijkse galaproducties steeds minder lijken op echte plekken waar dingen gebeuren. Misschien te perfect. Niet dicht genoeg bij het dagelijks leven. Het microtheater is anders omdat het dichtbij is. Je zit op slechts één meter afstand van de acteur. Daardoor kun je je onmogelijk los voelen van wat er op het podium gebeurt, ook al is het maar een stukje vloer.

Er is ook een praktisch aspect dat niet veel aandacht krijgt. Kleine zalen zijn makkelijker te vullen, goedkoper te huren en bieden meer mogelijkheden voor wat je er kunt opvoeren. Een artiest die tien goede klanten trekt op een zolder, verdient meer geld dan dezelfde artiest die dertig mensen trekt in een zaal die bedoeld is voor driehonderd. Een grote, lege zaal is deprimerend voor zowel de artiesten als het publiek. Die leegte is er niet in een kleine ruimte.
Het Amsterdams Fonds voor de Kunsten heeft al gewaarschuwd dat er veel burn-outs voorkomen in de kunst- en cultuurwereld. Dit kan deels worden veroorzaakt door het systeem zelf, dat bestaat uit grote bedrijven, hoge kosten en de voortdurende noodzaak om zalen te vullen die te groot zijn voor wat de markt op dit moment wil. Microtheater breekt met dat systeem. Niet als statement, maar gewoon omdat het anders is.
Sommige mensen zien dit als een kortetermijnoplossing omdat de culturele sector er zo slecht voorstaat. Hoewel dat logisch klinkt, lijkt het niet helemaal aan te sluiten bij wat er daadwerkelijk gebeurt. Jonge kunstenaars kiezen er steeds vaker voor om op kleinere schaal te werken, niet omdat ze de grote podia niet kunnen bereiken, maar omdat ze dat niet willen. Ze willen niet drie jaar moeten wachten om een rol in een voorstelling te krijgen. Ze willen nu meteen optreden voor mensen die hen echt willen zien.
Youp van ‘t Hek gaf ooit een voorstelling in Klein-Bellevue voor tien mensen. Dat wordt nu wel eens aangehaald als bewijs dat grote namen klein beginnen en dat je ergens moet beginnen. Maar misschien is de les wel iets anders: tien mensen die er echt bij zijn, zijn waardevoller dan een grote zaal die half leeg is en vol zit met mensen die niet weten waarom ze daar zijn.
Er zijn prachtige grote theaters in Amsterdam. Het gebouw van Carré is er een om van te houden. Maar de stad heeft ook smalle straatjes, onverwachte binnenplaatsen, leegstaande pakhuizen en zalen op de tweede verdieping waar je in een online agenda nooit op zou klikken. Juist daar groeit iets. Dat is misschien geen bedreiging voor de huidige gang van zaken. Voor wie klaar is voor iets kleinschaligers, iets echts en iets dichterbij, is het misschien juist een aanvulling – een andere manier om een verhaal te vertellen.
