Op een doordeweekse avond in Amsterdam-Oost lopen mensen langzaam over het Boerhaaveplein, op weg naar een gebouw dat er van buiten niet bijzonder uitziet. Als je binnenkomt, ruik je de geur van het oude theater: hout, koffie en een vleugje stof. Op het podium wordt een toneelstuk over Beckett opgevoerd. In het Engels. De zaal zit vol. De meeste mensen in het publiek zijn Nederlanders.
Het meest interessante aan de Amsterdamse theaterwereld van de afgelopen tien jaar is waarschijnlijk niet dat er meer Engelstalige voorstellingen zijn, maar dat mensen er al lang aan gewend zijn om die te zien. Het publiek kijkt er zelfs naar uit. Er is nu een generatie theaterbezoekers die moeiteloos tussen talen kan schakelen en vindt dat Engelstaligen in het publiek net zo normaal zijn als Nederlanders in de tram. We hoeven ons niet langer af te vragen of Amsterdam een theaterstad is waar mensen meer dan één taal spreken. Waarom blijft de officiële erkenning zo achter? Dat is de vraag.
| Onderwerp | De opkomst van meertalig theater in Amsterdam |
|---|---|
| Locatie | Amsterdam, Nederland |
| Sleutelspelers | Badhuistheater, Association of International Theaters, Downstage Left |
| Relevante periode | Begin jaren 2010 tot heden |
| Aantal actieve Engelstalige gezelschappen | Meer dan twintig (2023) |
| Aandeel Nederlandse bezoekers | Circa 80 procent bij Engelstalige voorstellingen |
| Speelmaanden per jaar | Tien maanden (Badhuistheater) |
| Gespeelde talen | Engels, Nederlands, Tsjechisch, Italiaans, Pools, Spaans, Slowaaks |
| Gesubsidieerd? | Nauwelijks — grotendeels afhankelijk van kaartverkoop |
Tien jaar geleden waren er in de stad zelf slechts een paar Engelstalige theatergezelschappen. Nu zijn het er meer dan twintig. Die groei is geen toeval. Het laat zien hoe de stad in bredere zin is veranderd: Amsterdam is nu internationaler, de bevolking is diverser en taal heeft een andere betekenis dan vroeger. Taalkundige Leonie Cornips laat in haar werk zien dat meertaligheid in Nederland altijd een gevoelig onderwerp is geweest. Maar die gevoeligheid lijkt op het theaterpodium te zijn omgezet in iets nuttigs.
Dat is te zien in het Badhuistheater. Al meer dan 25 jaar brengt het theater voorstellingen in het Engels, maar ook in het Tsjechisch, Italiaans, Pools, Spaans en Slowaaks. Dat klinkt misschien als een groot beleidsdocument, maar in werkelijkheid is het gewoon hun seizoenprogramma. Ze werken tien maanden per jaar en halen internationale gezelschappen naar Amsterdam zonder enige hulp van de overheid. Ze leven van volle zalen. In 2023 waren ze vaak zeer succesvol, zelfs met zwaardere stukken als „Waiting for Godot“.

Er is iets vreemds aan dit plaatje. Eigenlijk zijn juist de theaters die Amsterdam een kosmopolitischer uitstraling geven – precies dat kenmerk dat de stad wil uitdragen – de theaters die het minste geld krijgen om te draaien. Het is niet duidelijk of dit komt doordat mensen het niet weten of omdat het ze niets kan schelen, maar het eindresultaat is hetzelfde: instellingen die worden gedreven door wilskracht en publieke opinie in plaats van door beleid.
Wat opvalt, is dat het publiek het debat al lang achter zich heeft gelaten. Tachtig procent van de mensen die naar het Badhuistheater gaan om voorstellingen in het Engels te zien, is Nederlands. Die mensen hebben niet om ondertitels gevraagd. Ze hebben geen vertaalde programmaboekjes nodig. Ze kwamen gewoon, gingen zitten en werden geraakt door een voorstelling in een taal die ze niet spreken, of misschien maar een beetje. Wat dat zegt over hoe het spreken van meer dan één taal werkt in een stad als Amsterdam, is veelzeggender dan welk beleid dan ook.
