Als je voor het eerst naar het Bregenz Festival gaat, is er iets dat je nooit meer zult vergeten. Het podium ligt op het water van het Bodenmeer. Het water weerkaatst het licht van de voorstelling. Duizenden mensen zitten stil achter je, alsof de omgeving hen een beter gevoel geeft. Dat is geen toeval. En dat is het Oostenrijkse festivalscenario, waaraan al decennia lang wordt gewerkt.
Tijd is iets dat je niet zomaar kunt kopen of bouwen, maar het komt de festivalmarkt in Oostenrijk ten goede. Het landschap is beter dan dat van bijna elk ander land in Europa als het gaat om podiummogelijkheden met echt karakter. Dit komt door eeuwenoude architectuur, cultuur en geografie. Andere landen houden hun festivals op velden of in industrieparken. Oostenrijk daarentegen organiseert zijn evenementen in renaissancetheaters, barokke parken en grotten in rotswanden.
Dit komt heel duidelijk naar voren bij het St. Margaret Opera Festival in Burgenland. De Romeinse steengroeve, waar het festival elk jaar plaatsvindt, is niet gebouwd voor opera. Lang geleden werd deze uitgehouwen voor iets heel anders. Toch staat deze plek nu bekend als een van de beste openluchtpodia van Europa. Het is bijna ironisch dat er mensen naar Mozart luisteren op een plek waar vroeger met steen werd gewerkt en zwaar werd gezwoegd. Het contrast is mooi. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het contrast het product is.
Elk jaar komen mensen van over de hele wereld naar het Salzburg Festival, dat zonder twijfel het beroemdste festival van Oostenrijk is. De kerken, de Piazza del Duomo en het Festspielhaus zorgen samen voor een sfeer die je niet zomaar kunt verzinnen. Die is nu van jou. En Salzburg heeft die geschiedenis niet alleen levend gehouden, maar er ook op voortgebouwd. Het feit dat zowel nieuwe als oude werken voor het eerst worden opgevoerd, toont aan dat de locaties niet als musea worden gezien, maar als levende podia. Dat verschil is klein maar belangrijk.

Er zijn enkele landen in Europa die hetzelfde proberen te doen, maar met wisselend succes. Een opera in een steengroeve is niet hetzelfde als een festivaltent in een stadspark. Dat weet iedereen. Mensen die vroeger alleen naar festivals gingen, zijn nu ook reizigers, belevingszoekers en veeleisende fijnproevers. De locatie zelf maakt deel uit van de belofte. Oostenrijk wist dit vanaf het begin, of misschien hebben ze het altijd al zo gezien, dus hoefden ze geen strategische keuze te maken.
Tirol voegt hier nog iets aan toe. Volksfeesten en andere traditionele evenementen in deze regio zijn niet zo groot als die in Salzburg of Bregenz, maar ze hebben net zo’n grote impact. Volksmuziek die weerkaatst tegen bergwanden en kleurrijke optochten door dorpskernen die honderden jaren oud zijn, lijken in niets op de commerciële festivalcultuur. Daarom vallen ze op in een markt die steeds luider en drukker wordt.
Als je al veel Oostenrijkse festivals hebt bezocht, valt vooral op dat de historische locaties niet verstikt worden door ingewikkelde logistiek. De waarheid is dat ze een selectief filter zijn geworden. Niet elk evenement kan in een kathedraal of op een meer plaatsvinden. Dit beperkt misschien het aantal beschikbare locaties, maar het zorgt er ook voor dat het exclusiever lijkt. En in de huidige festivaleconomie is uniek zijn waardevol.
Het is nog niet duidelijk of dat model op de lange termijn zal werken. Het kost geld om historische locaties in goede staat te houden. Steeds meer mensen willen toegang hebben tot dit soort evenementen. En het weer beïnvloedt wat er moet gebeuren voor openluchtvoorstellingen. Maar in letterlijke en figuurlijke zin bevindt Oostenrijk zich momenteel in een positie die maar weinig andere landen kunnen evenaren.
