Er doet zich iets vreemds voor in de Nederlandse theaters. Wie de afgelopen maanden door Amsterdam, Utrecht of Rotterdam liep en zomaar een programmaboekje oppakte, zag namen die niet uit de Randstad komen: Vlaamse gezelschappen, regisseurs uit Antwerpen en acteurs uit Gent. Dit is geen nieuw fenomeen, maar dit jaar lijkt het sterker aanwezig te zijn.
De zogenaamde „Vlaamse golf“ bestaat al lang. Al in de jaren tachtig veroverden kleinere Belgische theatergezelschappen de Nederlandse podia en veranderden ze de theaterwereld in het noorden ingrijpend. Maar wat begon als een wanhopige poging om kleine gezelschappen te helpen die in Vlaanderen onvoldoende subsidies kregen en in Nederland goed betaald werden, is uitgegroeid tot iets anders. Het is een bekend artistiek stempel geworden.
Wat de Vlaamse aanpak zo onderscheidend maakt, is dat ze erg eigenzinnig zijn als het om het repertoire gaat. Klassieke teksten worden niet met respect behandeld; ze worden juist op hun kop gezet, in twijfel getrokken en soms zelfs vernietigd. Nederlandse programmeurs waren hier al jaren dol op, en het lijkt erop dat ze dat nog steeds zijn. Er is iets aan het Vlaamse theater dat niet zo bang lijkt te zijn voor conflict, ongemak of stilte op het verkeerde moment. Het is moeilijk te zeggen of dat een cultureel verschil is of gewoon een kwestie van hoe ze in de kunstwereld zijn opgevoed.
Tegelijkertijd kampen Vlaamse gezelschappen met een probleem waarvan niet veel mensen buiten de sector zich bewust zijn: hoe bereik je mensen die niet dezelfde taal spreken? Als ze niet in de Lage Landen zijn, moeten ze een andere taal spreken. Meestal wordt er gebruikgemaakt van ondertitels, maar ook dat is een compromis.
De verantwoordelijke kunstenaars weten dat wanneer het publiek halverwege het podium kijkt, het ritme van de voorstelling verandert. Acteurs moeten leren omgaan met een lach die nog niet helemaal tot zijn recht komt, of die te vroeg of te laat komt. Daarom kiezen sommige gezelschappen ervoor om op te treden in een taal die ze niet spreken, compleet met een accent en kleine foutjes die deel gaan uitmaken van de voorstelling.

Op dit gebied hebben gezelschappen als tg STAN een soort filosofie ontwikkeld. Voorstellingen in het Engels of Frans opvoeren stoort hen niet; het is gewoon een andere manier om van hetzelfde stuk te genieten. Hoewel dat romantisch klinkt, vraagt het ook veel van acteurs die theater als iets natuurlijks zien. Je kunt decennialang dezelfde tekst voorlezen, maar elke keer dat je van taal wisselt, moet je die herschrijven. Daarbij worden sommige regels langer. Sommige mensen raken de draad kwijt.
Tegelijkertijd groeit het aantal Vlaamse producties dat wereldwijd wordt opgevoerd gestaag. Meer podia buiten Vlaanderen en meer coproducenten uit andere landen. Dat is geen toeval. Het heeft te maken met een grotere vraag naar wat Vlaanderen te bieden heeft, een vraag die duidelijk werd tijdens het hoogtepunt van de Vlaamse dansgolf en die sindsdien nooit volledig is bevredigd.
Dit jaar lijken de optredens van deze groep op Nederlandse podia misschien minder op een import en meer op iets dat logisch is. Belgische namen duiken op in seizoensprogramma’s zonder veel context en zonder dat ze ‘buitenlands’ worden genoemd. Dat is, op zijn zachtst gezegd, een grote verandering. Het betekent dat de scheidslijn tussen theaterliefhebbers in de Lage Landen niet zo duidelijk is als het er op de kaart uitziet.
Het is nog onmogelijk te zeggen of de volgende generatie Vlaamse makers even populair zal zijn. Maar er is op dit moment weinig reden om daaraan te twijfelen. Let goed op het theater dat uit het zuiden komt. Het snapt het namelijk wel.
