Sommige festivals worden groter, maar naarmate ze groeien, raken ze steeds meer van elkaar vervreemd. Ze beginnen klein, uniek en nog een beetje ruw rond de randen. Na een paar succesvolle edities groeien ze uit tot een merkactivatie met podia. Dit is niet de weg die het Dour Festival heeft ingeslagen. Het festival vindt elk jaar plaats in het gelijknamige stadje in de provincie Henegouwen in België. En dat is niet eenvoudig.
Zodra mensen het festivalterrein betreden, merken ze meteen dat er iets anders is. Niet glamoureuzer of verzorgder; integendeel. De podia zien eruit alsof ze al flink wat hebben meegemaakt. De sfeer is een mix van intimiteit en ongedwongenheid. Mensen komen hier niet om gezien te worden. Je merkt dat ze voor de muziek komen.
Dour bestaat al sinds 1988 en staat al jaren bekend als het Europese alternatieve muziekfestival. Die naam is niet voor niets gekozen. Bij veel grote festivals is de line-up zo breed mogelijk samengesteld om niemand voor het hoofd te stoten. Dour daarentegen gaat precies de tegenovergestelde richting in. Gaffer, doom metal, afrobeat, dancehall en hyper-specifieke techno-subgenres zijn slechts enkele van de genres die elders niet vaak op festivalaffiches opduiken.
Dat is een keuze die gevolgen heeft. Wie op een festival niet op veilig wil spelen, loopt misschien een deel van zijn publiek mis. Maar Dour lijkt te beseffen dat het dat risico bij elke editie neemt. Het blijft trouw aan zijn eigen identiteit op een manier die je bij grote commerciële festivals niet vaak ziet. Die identiteit voelt meer anarchistisch dan zakelijk aan, en dat is ook wat het festival zo sterk maakt.

Wat het festival verder onderscheidt, is de manier waarop het samenwerkt met onafhankelijke muziekgroepen. Groepen als Grünt, dat zijn wortels heeft in de alternatieve scene in Brussel, en VICIOSA, dat verbonden is met de queer- en alternatieve cultuur, krijgen niet zomaar een plekje in het programma. Ze dragen ertoe bij dat de festivalervaring is wat ze is. Je merkt het verschil.
Het programma voelt dus niet aan als een lijst met namen die door een boekingsbureau is samengesteld, maar als iets dat vanaf de basis is opgebouwd. Ook de kleinere podia hebben hun eigen waarde. La Balzaal en La Petite Maison dans la Prairie zijn namen die vaste bezoekers bijna als mythisch zijn gaan beschouwen.
Op die plekken staan de mensen zo dicht bij de artiesten dat het bijna ongemakkelijk is. Er zijn optredens die niet door de grote muziekpers worden besproken, maar waar jaren later nog steeds over wordt gesproken. Dat is underground in de ware zin van het woord, niet als marketingterm, maar als een manier om te spreken over iets dat zich buiten het zicht van het grote publiek ontwikkelt.
Het valt nog te bezien of Dour zo door kan gaan nu de druk om het festival commerciëler te maken toeneemt. Mensen hebben het zwaar op festivals. De ticketprijzen stijgen, de sponsors worden groter en elk jaar wordt het publiek groter. Naarmate het festival groeit, is het mogelijk dat het beslissingen moet nemen die het liever niet zou nemen. Dour lijkt echter trouw te blijven aan wat het altijd is geweest: een plek die subculturen een podium biedt dat ze nergens anders krijgen, zelfs als dat op korte termijn verlies betekent.
