Achter een scherm worden beslissingen genomen die vroeger door iemand met een notitieboekje en een eigen mening werden genomen. De zaal is donker en de muziek staat hard. Dit jaar is er iets aan de hand op de festivals in Amsterdam. Niet erg luidruchtig of opzichtig, maar wel merkbaar. AI neemt de regie over, eerst voorzichtig en daarna met steeds meer zelfvertrouwen.
Het begon allemaal zo’n jaar of twee geleden met experimenten aan de rand van het programma. Er waren korte lezingen, onderzoeksavonden en sessies in workshopstijl. Maar dit seizoen is anders. Voor hun eerste gezamenlijke voorstelling verlegden de Amsterdamse Theaterschool en de Rijksakademie de grenzen van wat mogelijk is tussen menselijke regie en mechanische besturing. Cyber Subin was de openingsvoorstelling van het Holland Festival. Het was een duet tussen AI en dansers.
Niemand was aardig in de recensies. „Droog als een bot“, schreef iemand. „Leuk voor een workshop“, zei iemand anders. Toch stond het er. Op het hoofdpodium. Dat zegt iets. Het probleem met AI op een festival is niet de technologie zelf, maar wat mensen ervan verwachten. Wanneer een kunstenaar een algoritme tot het belangrijkste onderdeel van zijn of haar voorstelling maakt, moet het publiek zich afvragen: waar is hier in vredesnaam de kunst? Die vraag is niet onterecht. Innovation:Lab en het Nationale Ballet hebben een onderzoek gedaan met de naam Pulse.

Daarin droeg een danseres een motion-capture-pak dat informatie over haar bewegingen naar een AI stuurde. Op basis van die gegevens en een tekstuele instructie maakte het systeem live beelden. Elke avond was anders. Het was interessant, maar het was nog steeds een experiment, en zo presenteerden de makers het ook. Ze deden het goed omdat ze eerlijk waren.
Het werkt minder goed wanneer het onvoorspelbare karakter van AI wordt verpakt in grote thema’s die de voorstelling zelf niet kan waarmaken. Er klopt hier iets niet: AI is juist interessant omdat het onvoorspelbaar is, maar theater heeft structuur nodig om echt iets te zeggen. Die spanning is nog niet verdwenen. Misschien is het onoplosbaar, en dat is precies waar de meest interessante makers op dit moment mee worstelen.
Want er zijn ook werken die wel werken. Iemand die net is afgestudeerd aan de HKU, Douwe Teusink, maakte een installatie-achtige ervaring genaamd Thanks For Watching. In deze ervaring maakt AI van de toeschouwers de hoofdpersonen. De toeschouwer wordt opgenomen en geanalyseerd, en wat daaruit voortkomt is poëzie die andere mensen kunnen lezen. Er wordt iets slims gedaan, en het voelt niet als een tech-show. Het klinkt als een toneelstuk.
Waarschijnlijk zit het verschil hem in de vraag wie wat bezit. Wie zorgt ervoor dat de machine doet wat ze doet, en waarom? Als kunstenaar creëer je je eigen dataset, train je je eigen model en bepaal je zelf wat de AI wel en niet mag zien. Dit wordt een artistieke signatuur genoemd. Het is echt niet hetzelfde als wanneer iemand ChatGPT gewoon een script laat schrijven en daar vervolgens een paar acteurs bij cast.
Er hangt ook een grotere vraag boven de festivalzomer. Zal dit blijven bestaan? Denk je dat we ons deze tijd over vijf jaar net zo zullen herinneren als we ons de jaren negentig herinneren, toen multimediatheater werd gezien als de toekomst, maar uiteindelijk gewoon een van de vele hulpmiddelen bleek te zijn? Dat is het meest waarschijnlijke scenario. Het is niet het einde van de regisseur of het einde van het toneel. Het is gewoon een nieuw hulpmiddel waar sommige makers in geïnteresseerd zijn en anderen niet.
Voorlopig is de waarheid dat Amsterdam nieuwe dingen probeert, die soms goed uitpakken en soms minder goed. De algoritmen nemen het niet over. Ze zitten wel op de eerste rij.
