Deze zomer hangt er iets anders in de lucht in Amsterdam. Misschien is het de geur van vers gras in het Vondelpark, waar mensen op klapstoeltjes zitten te wachten op een gratis voorstelling. De stad is misschien aan het veranderen, maar niet door grote subsidiebesluiten of persberichten. Misschien verandert ze wel omdat mensen ergens naartoe lopen, gaan zitten en luisteren.
Dit jaar is er het een en ander veranderd in de Amsterdamse theaterwereld. Het is groter, luidruchtiger en op sommige plekken verrassend dichtbij. Het is moeilijk onder woorden te brengen, maar het lijkt erop dat de stad haar theaters niet langer ziet als een culturele luxe, maar als iets dat ze wil gebruiken om een standpunt duidelijk te maken.
Voor de zomervakantie zette het 79e Holland Festival de toon. Het liep tot eind juni. Er zullen meer dan 100 voorstellingen plaatsvinden op 23 locaties in Amsterdam en Heerlen. Niet alleen de omvang, maar ook de manier waarop het dit jaar werd aangepakt, viel op. Als onderdeel van het openingsproject werd het publiek gevraagd hun telefoons en koptelefoons mee te nemen en de stad in te lopen terwijl ergens anders een orkest speelde. Bij zo’n wandeling door de stad krijg je het gevoel dat je zowel toekijkt als deelneemt aan een voorstelling. Het zal niet voor iedereen duidelijk zijn geweest. Maar het zette mensen letterlijk in beweging.

De geassocieerde kunstenaar van het Holland Festival is dit jaar de IJslandse componiste Hildur Guðnadóttir. Zij brengt een soort stille radicaliteit met zich mee. Haar muziek is niet luid of opzichtig. Tegenwoordig probeert ze graag nieuwe dingen uit en staat ze open voor het onbekende, wat perfect past bij een stad die dit jaar haar grenzen lijkt te verleggen. Het is niet duidelijk of dat bewust zo is geprogrammeerd of dat het gewoon zo is gegroeid. Waarschijnlijk een combinatie van beide.
Op dezelfde manier is het theater dit jaar duidelijk belangrijk voor de samenleving. In het Internationaal Theater Amsterdam zijn voorstellingen te zien die gaan over mensenrechten. De installatie ‘Amsterdam Rainbow Dress’ van de Nationale Opera & Ballet zet mensen aan het denken over hoe LGBTQ+-mensen wereldwijd oneerlijk worden behandeld. Dit is vooral belangrijk nu in juli de WorldPride plaatsvindt. Het is niet stiekem. Maar het hoeft ook niet stil te zijn.
Dat gezegd hebbende, wat wel subtiel is, is hoe De Parade jaar na jaar iets moeilijks voor elkaar krijgt: een breed publiek aanspreken zonder al te oppervlakkig te worden. Live muziek, korte stukken, kleine tentjes en een beetje chaos. Het lijkt theater dat zich niets aantrekt van hoe belangrijk het is. En dat geeft me een gevoel van vrijheid.
Wat ook gezegd kan worden, is dat dit seizoen helemaal in het teken staat van toegankelijkheid. Het Vondelpark Openluchttheater draait volledig op donaties van mensen die willen helpen. Er is geen kaartje nodig en er zijn geen drempels. Dat klinkt te mooi om waar te zijn, maar het werkt omdat alle plaatsen bezet zijn. Het betekent dat er een theaterpubliek is dat zich niet aan een dresscode hoeft te houden of drie weken van tevoren hoeft te reserveren.
DeLaMar brengt voorstellingen die je aan het denken zetten over werken in de creatieve sector. Carré haalt producties uit het West End naar Amsterdam die gaan over gemeenschap en veerkracht, niet alleen als ideeën, maar als zaken waarmee mensen zich vanuit hun eigen leven kunnen identificeren. De voorstellingen zijn niet perfect. Ze zijn echter wel ontroerend. Dit najaar zijn er ook evenementen, zoals het Amsterdam Fringe Festival in september, een plek waar bewust ruimte wordt geboden aan het ruwe, onafgewerkte en experimentele. Dit is het soort theater dat over tien jaar misschien als baanbrekend wordt gezien, of juist vergeten is. Ook al brengt het een risico met zich mee, dat is ook juist waarom het de moeite waard is.
Niet elk jaar doet Amsterdam iets anders: het neemt zijn eigen culturele zomer serieus zonder er een merk van te maken. Het decor in het theater leeft. En dat is op dit moment genoeg.
