Een nieuwe financieringsronde heeft altijd iets bijzonders. Het wachten is spannend en de stilte duurt net iets te lang. Dat gevoel kent iedereen die al een tijdje deel uitmaakt van de Utrechtse kunstscene. Op zulke momenten worden jarenlange artistieke keuzes, het opbouwen van een publiek en het steeds weer uitproberen van nieuwe dingen afgewogen tegen een spreadsheet.
Theater Utrecht heeft dit in de praktijk meegemaakt. In 2016 liet de Raad voor Cultuur het gezelschap voor het eerst weten dat het niet door mocht gaan, omdat het tussen 2013 en 2015 niet aan de norm voor eigen inkomsten had voldaan. Dat was een zware klap, vooral voor een gezelschap dat juist lof oogstte voor zijn kunst. Uiteindelijk greep minister Jet Bussemaker in en werd er een positief advies uitgebracht, mede omdat het belangrijk was dat het theateraangebod geografisch verspreid was. Maar het feit dat dit is gebeurd, zegt iets. Het systeem heeft scherpe kantjes.
Het is niet langer alleen voor Theater Utrecht dat deze kwestie belangrijk is. Utrecht is altijd een unieke plek voor theater in Nederland geweest. Er was ruimte voor kunstenaars die niet meteen voor uitverkochte zalen speelden en voor voorstellingen die meer vragen opriepen dan ze beantwoordden. Die ruimte is geen vanzelfsprekendheid. Het kost geld. En geld maakt mensen verantwoordelijk.

Het is mogelijk dat de komende subsidierondes strenger zullen zijn dan de voorgaande. Er ligt al veel druk op de culturele sector, en overal zijn de budgetten van steden en gemeenten gekrompen. Nu is er alleen nog een trechter over: wie kan aantonen dat hij of zij tegelijkertijd een publiek kan bereiken, geld kan verdienen, les kan geven en innovatief kan zijn, maakt kans. Mensen die graag nieuwe dingen uitproberen en gewaagd werk doen – dat soms een zaal met lawaai vult en soms tot een stilte brengt die je bijblijft – hebben het moeilijker.
De manier waarop subsidiesystemen omgaan met het uitproberen van nieuwe dingen verloopt niet altijd soepel. Het woord ‘innovatie’ wordt veel gebruikt, maar het is moeilijk om te realiseren. Als een experimentele productie mislukt, is dat het bewijs dat het niet werkte. Maar theater dat altijd werkt, probeert ook niet echt nieuwe dingen uit. Dat probleem kan niet worden opgelost met een aanvraagformulier.
Wat Utrecht onderscheidt, is dat de Stadsschouwburg zelf sterk gericht is op het ontwikkelen van talent en het bereiken van nieuw publiek. Jonge mensen die dingen willen maken, kunnen gebruikmaken van programma’s als UP lift en The Future is Now. Dat is nuttig, maar het is niet hetzelfde als gezelschappen structurele subsidies geven om hen te helpen hun eigen artistieke kompas te volgen. Het opbouwen van talent is een manier om andere doelen te bereiken. Maar als die springplank wegvalt, waar ga je dan heen?
De discussie over geografische spreiding, die in 2016 heeft bijgedragen aan het redden van Theater Utrecht, is nu nog steeds belangrijk. Utrecht is geen Amsterdam. Dit betekent dat een hier gevestigd gezelschap dat een eigen publiek heeft opgebouwd en een unieke artistieke identiteit heeft, niet hetzelfde is als een in Amsterdam gevestigd gezelschap dat op tournee gaat. Het is moeilijk om die waarde in cijfers uit te drukken, maar ze is er wel.
Het is nog steeds niet duidelijk hoe de volgende rondes zullen worden opgezet of welke criteria belangrijk zullen zijn. Maar de manier waarop het nu gaat – met meer nadruk op bereik, eigen inkomsten en zichtbaarheid – is spannend voor mensen die klein willen zijn, moeilijk bereikbaar of helemaal niet zichtbaar. De reden hiervoor is dat het soms het eerlijkste is om te zeggen.
Al jaren maken makers in Utrecht dingen die hier begrip voor hebben. Ze zouden een open gesprek moeten voeren over wat de stad werkelijk wil zijn en wat voor soort theater bij dat doel past.
