Eind juni is er van alles te beleven in Amsterdam-Noord, wanneer een bepaald deel van de wijk vol zit met mensen die te weinig hebben geslapen en te veel willen zien. Het is moeilijk in één zin te beschrijven. Het ITS Festival is een plek waar afgestudeerden van Nederlandse opleidingen in de podiumkunsten hun kunsten kunnen laten zien. Maar wie er een paar uur rondloopt, ziet meer dan dat. Mensen die voor gesubsidieerde theaters werken, hangen rond in de gangen. Festivalorganisatoren uit andere landen maken aantekeningen in de lobby. Te midden van al het lawaai en de drukte is er een vraag die niemand hardop stelt, maar die iedereen voelt: wat wordt hier nu eigenlijk van?
Als je kijkt naar wat instellingen zoals de Universiteit van Amsterdam al een tijdje aan het opbouwen zijn, wordt die vraag nog interessanter. Als inhoudspartner, niet als sponsor, werkt de UvA aan een breed scala aan projecten met culturele partners. Allard Pierson, Spui25, VoxPop en BuzzHouse zijn allemaal voorbeelden van kruisbestuiving die bedoeld zijn om wetenschap en kunst op een gestructureerde manier met elkaar in gesprek te brengen.
Voor mensen die er niet bij betrokken zijn, klinkt dit misschien niet erg spannend. Maar mensen die in de academische wereld werken, weten hoe zelden dit in de praktijk lukt. Er is een sterke link tussen dit en wat het ITS Festival doet. Op het festival wordt werk getoond dat doorgaans niet in theaters past. Denk daarbij aan installaties die de grenzen van de beeldende kunst verleggen, voorstellingen zonder woorden en stukken waarbij het publiek niet alleen toeschouwer is, maar ook actief deelneemt. Om dat soort werk goed te kunnen maken, moet de omgeving er begrip voor hebben, zowel financieel als op andere manieren. Zo’n omgeving is te vinden bij universiteiten die actief streven naar het samenbrengen van kunst en wetenschap. Het is geen garantie voor succes, maar het is wel een must.

Volgens professor Falk Hübner van de Fontys Academie voor de Kunsten zijn kunstenaars mensen die helpen de samenleving duurzamer te maken. Dat klinkt erg abstract, maar in de praktijk betekent het dat kunstenaars in gesprek gaan met mensen uit de buurt, met patiënten en met studenten. In de podiumkunsten doet het ITS Festival precies dat. Jonge makers verdedigen voor het eerst hun eigen ideeën. Soms weten ze niet precies wat ze zeggen, en soms zijn ze zo duidelijk dat iedereen er versteld van staat. Dat kun je op geen enkele manier in scène zetten.
Er zit een spanning in dit verhaal die echt opgemerkt moet worden. Een afgestudeerde die zijn werk slechts aan dertig mensen wil laten zien, heeft andere behoeften dan een kunstenaar die wereldberoemd wil worden. Ze bevinden zich allebei in dezelfde ruimte. De afgelopen jaren heeft artistiek directeur Marcus Azzini gekozen voor een meer persoonlijke stijl, met minder evenementen en meer theater. Het lijkt de juiste keuze. Het doet me echter afvragen hoe lang een festival beide werelden tegelijk kan bedienen zonder een van beide te verliezen.
Dat is misschien wel precies de reden waarom samenwerking met een universiteit als de UvA zo nuttig is. Niet omdat universiteiten problemen oplossen, maar omdat ze mensen een plek bieden om na te denken. Om uit te zoeken wat werkt en na te denken over wat kunst betekent in een wereld die er elke dag minder en minder aan uitgeeft. Cultuur wordt in de politiek al lang een ‘linkse hobby’ genoemd. Dat maakt plekken waar kunst en wetenschap samenwerken niet minder belangrijk; het maakt ze juist belangrijker.
Het is niet duidelijk hoe dit de komende jaren zal veranderen. In Nederland liepen festivals die niet netjes in één categorie passen in het verleden het risico op bezuinigingen en reorganisatie. Maar zolang er een plek is waar een student voor het eerst zijn of haar werk verdedigt terwijl een programmeur vanuit Berlijn toekijkt en een onderzoeker nadenkt over wat dat betekent voor de manier waarop we kunst maken en ervan genieten, is er iets interessants aan de hand. Niet als blauwdruk in de zin van een goed doordacht plan. Maar als bewijs dat er andere manieren zijn om dingen aan te pakken.
