In de foyer van een theater hoor je misschien een regisseur van begin dertig fluisteren dat hij „iets heel anders” wil maken, maar dat hij bang is dat niemand het zal snappen. Voor wie zijn ze precies bang? Voor de mensen die daar aanwezig zijn? Voor de commissie die over het geld gaat? Of voor de mensen die daar al decennia lang de toon aangeven, maar niet zichtbaar zijn?
Hij is niet de enige die zich zo voelt. Het Nederlandse theater gaat op een vreemde manier om met zijn eigen geschiedenis, waardoor jonge kunstenaars in een lastige positie terechtkomen. Enerzijds wordt van hen verwacht dat ze met nieuwe ideeën komen. Anderzijds worden ze voortdurend beoordeeld aan de hand van normen die zijn vastgesteld door mensen wier werk inmiddels tot erfgoed is uitgegroeid.
| Onderwerp | Details |
|---|---|
| Thema | Nalatenschap van Nederlandse toneelmeesters en de invloed op nieuwe generaties |
| Tijdperk klassieke meesters | Jaren ’60 tot begin 2000s |
| Bekende namen | Marjan Berk, Wim T. Schippers, Freek de Jonge, Drs. P |
| Disciplines | Theater, cabaret, kleinkunst, televisie |
| Huidige situatie | Jong theatertalent worstelt met artistieke identiteit onder het gewicht van voorgangers |
| Relevante instellingen | Frascati Amsterdam, De Kring, RITCS Drama, VPRO |
| Kern van het debat | Artistieke vrijheid versus culturele canon |
Wim T. Schippers stierf bijvoorbeeld in juni 2026. Hij was 83 jaar oud. Toen hij nog leefde, werd deze kunstenaar gezien als de belichaming van het rebelse, het ongeorganiseerde en het onduidelijke. Zijn VPRO-programma’s moesten hard zijn, en soms waren ze bijna ondraaglijk. Dat maakte ze juist zo goed. Maar wat gebeurt er als zo iemand een legende wordt? Dan helpt zijn rebellie hem juist om dingen te begrijpen. Een referentiekader is geen vrijheid; het is slechts een leidraad.
De 93-jarige Marjan Berk, die eveneens in de zomer van 2026 overleed, stond voor iets anders. Zij was de vrouw die dapper genoeg was om te praten over zaken waar de meeste mensen liever niet over praten. Ze liet zich niet beperken tot één genre en begaf zich met dezelfde vrijheid in het cabaret, het theater en de tv. Mensen noemden haar de ‘koningin van het lichte genre’, maar ze zei dat dat niet haar keuze was. Dat zegt misschien al genoeg. Buitenstaanders kunnen makers alleen maar een etiket opplakken, zelfs degenen die het meest in hun eentje werken.

Dat etiket is het probleem voor deze generatie. Zoals we onlangs zagen bij jonge afgestudeerden van toneelscholen in Brussel en Amsterdam die hun masterscripties schreven over vervreemding en ruilwaarde: deze mensen betreden een artistieke ruimte die open lijkt, maar in werkelijkheid vol is. Er is één thema dat boven alle andere thema’s gaat. Bij elke officiële keuze moet je denken aan iemand die het eerder deed, misschien wel beter en met meer aandacht.
Er is geen reden om te denken dat jongeren niet van de klassiekers houden. Dat is geen goede manier om ernaar te kijken. De meeste jonge kunstenaars weten wat Freek de Jonge, Sjef van Oekel en Neerlands Hoop hebben gedaan. Ze hebben André van Duin gezien en Godfried Bomans gelezen. Ze weten wie Dr. P was. En juist die kennis kan het moeilijk maken om iets nieuws te proberen. Inspiratie en angst zijn niet hetzelfde, en de grens tussen beide is niet zo dik als je zou denken.
Frascati in Amsterdam brengt al jaren voorstellingen over identiteit en hoe dingen van de ene generatie op de volgende worden doorgegeven. Het is interessant dat dat thema keer op keer zo sterk naar voren komt. Ze wekken de indruk dat jonge makers niet helemaal het gevoel hebben dat ze zichzelf zijn en dat er iemand toekijkt terwijl ze aan het werk zijn. De vraag is of dat de zaken altijd ten goede komt, of dat het ze juist onmogelijk kan maken.
Er is een reële maar subtiele manier waarop cultuursubsidies en theaterkritiek dit versterken. Als een commissie of recensent is opgegroeid met een bepaald idee van wat mooi is, kan het zijn dat ze dat idee onbewust als maatstaf hanteren. Niet omdat ze dat zo bedoelen, maar omdat ze het kennen. En dingen die niet herkenbaar zijn, worden meestal gezien als onafgewerkt in plaats van als nieuw. Mensen die de standaardtaal spreken met precies de juiste hoeveelheid idiomen, worden door het systeem beloond.
Er is geen gemakkelijke manier om met dit soort cultureel erfgoed om te gaan. Wanneer legendes sterven, worden ze groter, niet kleiner. Wat er nu over Schippers en Berk wordt geschreven, versterkt hun positie nog meer. Dat is logisch en zelfs nuttig. Maar het is mogelijk dat de nieuwe generatie pas echt een startpunt heeft als de herinneringen aan de grootheden wat meer vervagen en meer op de achtergrond raken in plaats van de norm te blijven die altijd weer naar voren wordt gehaald.
Die jonge regisseur staat nog steeds in de foyer en fluistert dat hij tot die tijd echt iets heel anders wil maken. Laten we hopen dat hij dat toch doet.
