Bijna alle jongeren die theater maken, kennen dit moment. De avond voor de première, in een repetitieruimte die ruikt naar verf en koude koffie, dringt het tot hen door dat er morgen echte mensen op die stoelen zullen zitten. Geen vrienden die naar elkaar knikken. Geen docenten die een cijfer opschrijven. Gewone mensen, en velen van hen weten misschien niet eens waarom ze daar zijn.
Die angst heeft een naam, maar die wordt niet vaak uitgesproken. In de wereld van festivals, audities en subsidieaanvragen is er weinig ruimte voor twijfel. Het is aan jou om je voorstelling te maken, publiek te vinden, met producenten te praten en te hopen dat het aanslaat. Dat de mensen in de zaal niet gaan geeuwen. Wat betekent dat?
| Keys | Values |
|---|---|
| Onderwerp | Jonge theatermakers in Nederland |
| Sector | Podiumkunsten / Jeugdtheater |
| Kernthema | Artistieke en economische druk op startende makers |
| Geografische focus | Nederland, met nadruk op regio versus Randstad |
| Relevante context | Subsidiestelsel, regionale spreiding, polarisatie en publieksbereik |
| Verwante begrippen | Anti-polarisatietheater, spiegels en ramen, jeugdtheater, culturele spreiding |
| Toonaangevende stem | Daniël van Klaveren, artistiek directeur Theater Sonnevanck |
Er komt druk vanuit vele kanten tegelijk. Als kunstenaar wil je iets belangrijks te zeggen hebben. Om geld te krijgen, moet je laten zien dat je een publiek hebt, bij voorkeur een groot en gevarieerd publiek dat niet alleen bestaat uit cultuurliefhebbers die toch al zouden komen. Dan is er nog de vraag waar je dat allemaal moet doen. Want iedereen die in Amsterdam werkt, staat altijd in het middelpunt van de belangstelling. Mensen die in Enschede, Zwolle of Doetinchem werken, moeten twee uur reizen om bij een bijeenkomst te komen en hopen dat iemand de moeite neemt om terug te komen.

Daniël van Klaveren, artistiek directeur van Theater Sonnevanck, schreef hier vorig jaar een krachtig stuk over, getiteld ‘State of Youth Theatre’. Hij vertelde hoe hij zich, nadat hij vanuit de Amsterdamse bubbel naar Enschede was verhuisd, realiseerde hoeveel hij jarenlang had gemist. Hij zegt dat ook het publiek het gevoel heeft onzichtbaar te zijn. Al generaties lang hebben mensen in Twente het gevoel dat hun cultuur niet tot uiting komt in wat het land te bieden heeft. En als mensen zich niet gezien voelen, gaan ze ergens anders op zoek. Soms in richtingen met minder diepgang.
Voor jonge kunstenaars is het besef hiervan zowel bevrijdend als zwaar. Het is bevrijdend omdat het je doet nadenken over wat theater werkelijk kan doen – niet alleen er mooi uitzien, maar, zoals Van Klaveren het noemt, ‘neutraliseren’. Zwaar, omdat dat doel niet werkt binnen een systeem waarin de macht nog steeds zeer centraal is geconcentreerd. De grote steden krijgen veel steun. Netwerken zijn afhankelijk van lunchafspraken in Amsterdam. En een debuut in de Stadsschouwburg is niet hetzelfde als een debuut in Leiden of Den Bosch.
Er is iets vreemds aan de hand in het Nederlandse theater. Iedereen die iets van distributie afweet, weet dat het beter moet. Er wordt over geschreven in rapporten, over gesproken in toespraken en er worden interviews over gegeven. Maar dingen veranderen langzaam. In het oosten van het land, dat twee provincies en honderdduizenden mensen omvat, is Sonnevanck nog steeds het enige jeugdtheatergezelschap dat structureel nationale subsidie krijgt. Daar zit geen kans in. Dat is beleid, of het gebrek daaraan.
Vaak merken jonge kunstenaars die onevenwichtigheid pas echt als ze buiten de Randstad komen en zien dat het publiek er wel is, maar dat niemand verwacht dat ze daarheen gaan. Men gelooft dat theater iets is wat steden nodig hebben. Voor mensen die dat soort dingen doen. Dat idee komt steeds weer naar voren, en het vraagt om meer dan slechts één voorstelling per jaar.
Wat jonge filmmakers misschien het meest zal verrassen, is hoe hongerig het publiek is als je dicht bij hen komt. Elk jaar organiseert Twente locatiespecifieke producties die uitverkocht raken, en na jeugdvoorstellingen zijn er discussies waarin kinderen dingen zeggen die ze thuis nooit zeggen. Dit zijn momenten die iets onthullen. Theater hoeft zichzelf niet te verkopen; het hoeft mensen alleen maar te raken. Tot de kern.
Er is geen eenvoudig antwoord, en het is niet realistisch te geloven dat extra subsidies op zichzelf de situatie zullen verbeteren. Maar er zit een kern van waarheid in het idee dat instellingen meer verspreid zouden moeten zijn over het land, niet als toeristen maar als wortels. Je moet wonen, werken en optreden waar je publiek is. Het klinkt als iets uit het verleden. Misschien is dat ook wel zo. Maar het werkt wel.
Het is nog steeds beangstigend om aan een lege zaal te denken. Misschien is dat uiteindelijk wel goed. Angst houdt mensen die dingen maken scherp; het zorgt ervoor dat ze nadenken over de mensen die op die stoelen zitten en wat ze mee naar huis nemen. Maar angst mag niet het enige zijn dat mensen drijft. Het systeem moet jonge makers niet alleen prijzen als ze het goed doen, maar hen ook helpen als ze nog op zoek zijn. Mensen wachten buiten de bubbel, in de dorpen en kleine stadjes. Het zou geweldig zijn als ze elkaar zouden kunnen ontmoeten.
