De reacties die altijd volgen op werk dat bewust de grenzen opzoekt, zijn te horen in de foyer van het Frascati Theater na een voorstelling die de meeste toeschouwers moeilijk kunnen definiëren. Sommigen staan te praten en maken gebaren die suggereren dat ze proberen na te denken. Anderen zeggen niets, maar zoeken ook niet naar een uitweg. Misschien is de meest eerlijke indicatie dat iets geslaagd is, die specifieke stilte die na een voorstelling valt – niet de stilte van verveling, maar van verwerking.
De jonge kunstenaars die hun creaties presenteren op het ITS Festival weten precies waar ze naartoe willen. Ze weten misschien niet precies wat ze willen zeggen, maar ze zijn wellicht onzeker over hun beroep, hun financiële situatie en of de theaterwereld hen wel de ruimte zal geven. Het perspectief van deze generatie is helder en gaat hand in hand met hun terughoudendheid om theater te zien als een herhaling van traditionele vormen of een stilistische oefening. Voor hen is het podium een plek om gevestigde systemen uit te dagen in plaats van ze te bevestigen.
Hun aanpak van het materiaal is een treffend voorbeeld van deze denkwijze: narratieve kaders die niet lineair zijn en het publiek dwingen om zelf conclusies te trekken. Voorstellingen die bewust de zwakheden van de personages, de setting en de makers zelf blootleggen, in tegenstelling tot een gecreëerde realiteit die de kijker geruststelt. Genderidentiteit, autonomie en de relatie tussen het individu en de mechanismen waarin het functioneert, komen allemaal aan bod in dit werk, zonder dat ze verpakt worden in een veilige dramaturgische conclusie.
Technologische integratie is in deze situatie een belangrijke beslissing, geen modegril. De vraag welke menselijke aanwezigheid overblijft wanneer machines taken overnemen die voorheen uitsluitend door mensen werden uitgevoerd, komt op wanneer een voorstelling kunstmatige intelligentie (AI) integreert – dat wil zeggen, wanneer een algoritme, letterlijk of figuurlijk, op het podium verschijnt. Het is geen abstracte vraag. Het raakt direct de essentie van theater, namelijk de onmisbare aanwezigheid van een levend persoon in een omgeving met andere levende mensen.
Deze producenten weigeren zich te conformeren aan de verwachtingen van de omringende institutionele systemen. Programmeurs, subsidiecommissies en de ongeschreven normen van ‘goed theater’ moedigen comfort en vertrouwdheid aan. Niet per se ingegeven door kwade opzet, maar eerder door de noodzaak voor instellingen om risico’s te beheersen en verantwoording af te leggen. Voor jonge makers is het conflict met die redenering een voortdurende uitdaging.

Die weerstand heeft een kwaliteit die verder reikt dan louter creatieve eigenaardigheden. Het is een visie op wat theater zou moeten kunnen doen, niet als versiering voor cultuurbeleid, maar als een omgeving waarin iets authentieks op het spel staat. Of dat doorgaans ook lukt, valt nog te bezien. Het doel is echter duidelijk, en dat is bij het ITS duidelijker dan bij de meeste andere festivals.
