Reykjavík heeft iets dat moeilijk te beschrijven is zonder er zelf geweest te zijn. Sommigen zeggen dat de stad aan het einde van de wereld ligt, maar deze zomer stroomden Europese festivaldirecteuren massaal naar IJsland alsof er goud op straat lag. Misschien omdat dat in zekere zin ook zo is.
Het was het 35e Reykjavík Arts Festival, en meer dan 1.300 kunstenaars uit de hele wereld kwamen hun werk tonen. Het festival draait niet om staatspropaganda of om kunstprofessionals uit de hele wereld die champagne drinken in witte tentoonstellingsruimtes. Geluid, geur, beweging en herinnering zijn allemaal belangrijke onderdelen van het programma. Dat klinkt misschien algemeen, maar in het echt voelt het verrassend concreet aan.
Mensen zaten op kussens in bezoekerscentra, tekenden met gekleurd krijt op karton en luisterden tegelijkertijd naar muziek die zowel via luidsprekers als door echte muzikanten werd gespeeld. Het festival zet je aan tot actie. Festivaldirectrice Lára Sóley Jóhannsdóttir, die vroeger dirigent was van het IJslands Symfonieorkest, spreekt op een heel openhartige manier over haar werk, iets wat je niet vaak ziet in de wereld van grote culturele instellingen.
Dans, muziek, beeldende kunst en theater zijn voor haar net zo belangrijk als elke andere kunstvorm. Ze wil dat ze op dezelfde manier worden behandeld, niet als afzonderlijke hokjes maar als één taal. Die houding verklaart wellicht waarom het festival zo anders is dan andere, vergelijkbare evenementen in Europa.

Hildur Guðnadóttir was dit jaar artist-in-residence en deelde die eer met het Holland Festival in Nederland. Er waren drie zeer uiteenlopende voorstellingen: één met het symfonieorkest, één met lichtontwerpster Theresa Baumgartner en één in de Hallgrímskirkja met een koor. Kunstenaars krijgen zelden de tijd om hun werk tijdens een residentie te ontwikkelen en te tonen, wat een zeldzaam model is in de wereld van biënnales. Het dwingt kunstenaars echter om echte risico’s te nemen. Er is niets kant-en-klaars dat in een programmaboekje past.
Er zit een methode achter. Het is geen toeval dat IJsland een gunstig klimaat voor kunst heeft gecreëerd. Volgens Statistics Iceland waren er in 2025 ongeveer 12.900 banen in de culturele en creatieve sector. Dat is ongeveer 6% van de totale beroepsbevolking. Dat is een zeer groot aantal voor een land met slechts 400.000 inwoners. Daar doen kunstenaars vaak meer dan één ding tegelijk, niet omdat ze geld moeten verdienen, maar omdat de grenzen tussen disciplines niet zo duidelijk zijn. Een muzikant schrijft ook muziek. Een beeldend kunstenaar maakt ook geluid. Alles op het festival is doordrongen van die vanzelfsprekendheid.
Dit is al een tijdje duidelijk voor mensen in West-Europa, maar dit seizoen voelde het echt alsof de deur openging. De artist-in-residence bij zowel het Holland Festival als het Reykjavík Arts Festival was een gezamenlijke aanstelling. Nog iets waar Jóhannsdóttir naar keek, was het Bergen International Festival in Noorwegen. Er ontstaat iets dat bijna lijkt op een noordelijk netwerk: festivals die van elkaar leren, samenwerken om voorstellingen te maken en kunstenaars uitwisselen op manieren die verder gaan dan alleen het inkopen van voorstellingen.
Een grotere verandering is ook te zien in de manier waarop grote biënnales nadenken over hun eigen voortbestaan. Paco Barragán, een kunsthistoricus, heeft gezegd dat biënnales zowel lokaal als mondiaal, politiek en artistiek, kritisch en institutioneel moeten zijn. Die spanning leidt op veel plaatsen tot opzichtige evenementen met weinig betekenis. Deze keer lijkt Reykjavík een andere manier te hebben gevonden om vooruit te komen. Het begint bij de mensen, niet bij de overheid of de markt.
We weten nog steeds niet of dat model kan worden geëxporteerd. Een klein, hecht creatief ecosysteem met een lange geschiedenis van overheidssteun voor de kunsten is iets wat IJsland heeft en wat moeilijk te kopiëren is. Maar het is duidelijk dat de festivaldirecteuren uit Amsterdam, Berlijn en Londen die deze zomer naar Reykjavik kwamen, goed hebben opgelet. Dat is misschien genoeg om te zeggen dat de avant-garde in Reykjavik niet langer slechts een randverschijnsel is. Het wijst in een bepaalde richting.
