Een beeldend kunstenaar werkt in een ruimte van de Rijksakademie – een vertrek met een hoog plafond en overvloedig daglicht door ramen die je niet in een doorsnee atelier zou verwachten – aan iets dat ze nog niet precies kan duiden. Het is geen schilderij. Het is geen sculptuur. Het vereist publiek om het ter plekke te ervaren, kent een tijdsdimensie en vraagt om de aanwezigheid van lichamen. Tijdens de voorbereiding raakte ze in gesprek met een bewegingskunstenaar van de Theaterschool; hij hielp haar inzien waarom juist die vorm essentieel was voor haar werk. Uit dat gesprek kwam uiteindelijk iets voort.
De Academie voor Theater en Dans (tegenwoordig bekend als de Amsterdamse Theaterschool) en de Rijksakademie van beeldende kunsten voelen zich al jaren tot elkaar aangetrokken, ook al heeft die wisselwerking niet altijd de vorm aangenomen van een officieel samenwerkingsprogramma of een specifieke noemer.
Het gebeurt vooral door de mobiliteit van individuen: kunstenaars die afstuderen aan de Theaterschool en vervolgens deelnemen aan het residentieprogramma van de Rijksakademie. Ze nemen hun ervaring in de podiumkunsten en beweging mee naar een atelieromgeving die primair gericht is op beeldende kunst. Samen creëren ze iets dat geen van beide instellingen op zichzelf zou kunnen bieden.
In dit opzicht is het residentieprogramma van de Rijksakademie van cruciaal belang. Twee jaar lang hebben resident-kunstenaars de vrijheid om te experimenteren, zonder de druk om een voltooid werk te moeten opleveren dat door instellingen moet worden goedgekeurd of commercieel levensvatbaar moet zijn. Dit is een unieke positie, vooral voor jonge kunstenaars die net zijn afgestudeerd; het biedt ruimte voor de ontwikkeling van multidisciplinaire debuutwerken die genre-indelingen overstijgen. Een beeldende tentoonstelling die tegelijkertijd een performance is. Een bewegingsstuk dat niet als theater bestempeld wil worden, maar ook geen andere benaming accepteert.
Onderwijs aan de Theaterschool wordt regelmatig verzorgd door mentoren en artistiek adviseurs van de Rijksakademie, en vice versa. Deze uitwisseling van kennis en perspectieven vormt de verbindende factor die ervoor zorgt dat de samenwerking een continu proces van kruisbestuiving is, in plaats van een incidentele gebeurtenis.
Een beeldend kunstenaar die is opgeleid door iemand die ook met performers werkt, kijkt anders naar ruimte dan iemand die die ervaring niet heeft. Een acteur met een achtergrond in de beeldende kunst benadert aanwezigheid en compositie op een nieuwe manier.

Voordat ze doorreizen naar internationale festivals voor experimentele en interdisciplinaire performances, gaan de resulterende producties in Amsterdam van start op bescheiden theaterlocaties, in de eigen tentoonstellingsruimtes van de Rijksakademie en op andere podia die geschikt zijn voor dit soort werk. Hoewel ze tijdens de eerste speelreeks misschien geen grote publiekstrekkers zijn, duiken ze wel op in de programma’s van belangrijke festivals in de sector en keren ze terug naarmate de carrières van de kunstenaars zich verder ontwikkelen.
