De Nes is een straatje dat van de Amstel naar de Dam loopt. Op een doordeweekse avond ziet een voorbijganger die niet op de hoogte is, weinig meer dan een paar theaters met bescheiden gevels en een handjevol bezoekers dat naar binnen gaat. De Nes is de plek waar je moet zijn als je wilt weten wie er over vijf jaar op de grote podia zal staan; voor ingewijden in de Nederlandse theaterwereld betekent de straat echter veel meer.
De bekendste naam aan de Nes is Frascati, een theater dat zich in de loop der decennia heeft geprofileerd als podium voor opkomende en experimentele kunst, waar artiesten optreden die nog niet beroemd zijn maar wel waardevol werk maken. De programmering is bewust ‘onaf’: het theater biedt ruimte aan stukken die nog in ontwikkeling zijn en nog geen definitieve vorm hebben gekregen. Dit vervult een cruciale rol in de theatersector – een rol die grote instellingen zelf niet kunnen spelen, omdat hun omvang het lastig maakt om risico’s te nemen met nog niet bewezen talent.
Door Vlaams en internationaal werk te programmeren, biedt De Brakke Grond programmeurs van grotere instellingen de kans om kennis te maken met namen die ze anders wellicht pas veel later zouden tegenkomen. Geen enkele talentscout kan het zich veroorloven de Nes over het hoofd te zien, aangezien deze twee theaters zich in dezelfde straat bevinden.
Als ITA (Internationaal Theater Amsterdam) – het grootste repertoiregezelschap van Nederland en de opvolger van Toneelgroep Amsterdam – zijn eigen toekomst serieus neemt, kan het niet anders dan zich op de Nes richten. Op de kleine podia werken momenteel de acteurs en regisseurs die over tien jaar de grote producties zullen leiden. Ze doen ervaring op in producties voor het ITS Festival, dat op diverse locaties in de binnenstad plaatsvindt.
Wachten tot deze artiesten beroemd en succesvol zijn, leidt tot hogere kosten en minder grip op hun artistieke ontwikkeling. Wie de programmering van de Nes de afgelopen jaren heeft gevolgd en kijkt naar wie er nu bij ITA, het Noord Nederlands Toneel of Theater Rotterdam speelt, ziet één ding duidelijk: er is een constante wisselwerking. Ook al komt niet elke grote ster rechtstreeks uit Frascati voort, de kans is groot dat een succesvolle acteur ooit in de Nes heeft gespeeld; het is dus zeker de moeite waard om deze ontwikkelingen in de gaten te houden.

In dat opzicht fungeert de Nes als een informele plek waar grote theatergezelschappen talent kunnen scouten – niet in de officiële zin van vertegenwoordigers van het ITA die met klemborden in de zaal zitten, maar veeleer in de praktische zin dat de meeste dramaturgen en artistiek leiders op de hoogte zijn van de voorstellingen die er spelen en deze regelmatig bezoeken. Het Nederlandse theater heeft altijd op deze manier gewerkt, en in de Nes komt dit mechanisme het duidelijkst naar voren.
