Het bieden van ruimte aan zaken die elders niet zijn toegestaan, is een lang bestaande traditie in Amsterdam. Dit is een praktische realiteit die voortkomt uit een combinatie van wetgeving, culturele openheid en een academische traditie die kunstenaars beschermt zolang ze binnen de muren van een instelling opereren. Het is niet altijd een kwestie van expliciet beleid. Een van de fysieke plekken waar deze ruimte zichtbaar wordt, is het ITS Festival Amsterdam; dit is eerder een artistiek initiatief dan een politiek statement.
In de kern fungeert het festival als een platform voor afgestudeerden van veertien Nederlandse academies voor podiumkunsten. Dankzij deze institutionele basis kunnen ook internationale academies worden uitgenodigd, aangezien de programmering niet onderworpen is aan de morele of politieke normen die in andere landen de toegang tot het publieke podium bepalen. Vanwege de aard van het onderwerp kan een afstudeerproject dat in Warschau of Boedapest wellicht geen overheidssteun zou krijgen, in Amsterdam probleemloos worden gerealiseerd. Dit komt niet doordat het festival actief een politiek standpunt inneemt, maar juist doordat het dergelijke filters niet hanteert.
Voor Oost-Europese regisseurs die in eigen land met censuur te maken hebben – en te maken krijgen met staatscommissies voor kunst die bepalen welke verhalen verteld mogen worden, welke ideologieën op het toneel verboden zijn en welke producties nooit financiering zullen krijgen – biedt ITS een publiek van programmeurs, theatermakers en critici die openstaan voor werk dat in eigen land niet te zien is. Er is daadwerkelijk sprake van een publiek. Het festival trekt vakmensen uit de Europese sector aan die op zoek zijn naar nieuw talent en die begrijpen dat de meest intrigerende stemmen vaak juist die stemmen zijn die elders geen podium krijgen.
De belangrijkste concrete bescherming van het festival is de institutionele onafhankelijkheid. Het festival wordt beschermd tegen invloeden van buitenaf – die in sommige landen bepalen wat er op het toneel te zien is – dankzij het academische kader van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en de bredere Nederlandse traditie van vrijheid van meningsuiting. Het festival heeft geen manifest of slogan; daardoor oogt het misschien niet heel indrukwekkend, maar het werkt wel.
Hierdoor is er op subtiele wijze een netwerk van artistieke solidariteit ontstaan. De impliciete zekerheid dat docenten en studenten in Amsterdam ruimte vinden die ze thuis missen, is een van de redenen waarom buitenlandse academies deelnemen. In Amsterdam kunnen regisseurs die in eigen land worden buitengesloten, hun werk aan een Europees publiek presenteren.

Deze ontmoetingen kunnen soms de opmaat vormen naar een carrière die de grenzen van hun eigen land overstijgt. Het festival zelf zou waarschijnlijk een genuanceerd standpunt innemen over de vraag of het deze rol bewust vervult, dan wel of het slechts een onbedoeld gevolg is van zijn structurele onafhankelijkheid. Het resultaat is echter een feit: ITS biedt een uniek platform, en voor de makers die die ruimte optimaal weten te benutten, is het van het grootste belang.
