Een masterclass over netwerktopologie gaat van start in de collegezaal van een telecomopleidingscentrum. In de eerste twintig minuten komen technische aspecten zoals bandbreedte, latentie en protocolontwerp aan bod. Vervolgens wordt er een vraag opgeworpen. Het probleem ligt niet zozeer bij de technologie zelf, maar bij de vraag wie verantwoordelijk is wanneer het systeem een verkeerde keuze maakt. De rest van de sessie staat volledig in het teken van dit vraagstuk.
Dit jaar doen dergelijke situaties zich opvallend vaak voor tijdens masterclasses binnen het ITS-kader. Een technische sessie over IoT-netwerken, 5G-ontwerp of de implementatie van AI mondt regelmatig uit in een debat over menselijke verantwoordelijkheid, ethiek, regelgeving en de filosofische grenzen van wat een systeem mag beslissen. Dit is geen toeval, maar het gevolg van de realiteit die de technische sector inhaalt.
De opkomst van wat in de sector ‘agentic AI’ wordt genoemd – systemen die autonoom beslissingen nemen en doelen nastreven in plaats van enkel taken uitvoeren – heeft de aard veranderd van de vraagstukken waarop technische experts moeten kunnen inspelen. Voorheen stond de vraag “Hoe laat ik dit systeem werken?” centraal. Daarmee rijzen er nog meer vragen: “Wat kan dit systeem beslissen? Wie heeft de leiding? En wat gebeurt er als er iets misgaat?” Deze tweede reeks vragen is niet van technische aard. Ingenieurs moeten zich over deze filosofische en juridische kwesties buigen als ze verantwoordelijk zijn voor een autonoom systeem, ook al zijn ze daar nooit in opgeleid.
Deze verandering werd aanvankelijk doorgevoerd in het onderwijsprogramma van Télécom Paris en de bredere ITU Academy. In 2026 zullen technologische leiders moeten beschikken over cruciale vaardigheden en inzichten, zoals kennis van digitaal beleid op de lange termijn, mensgerichte ontwerpmethoden en de epistemologische vraagstukken rondom een volledig verbonden samenleving.
Organisaties die dit inzien, ontwikkelen masteropleidingen die bewust de brug slaan tussen humanistische filosofie en technologie. Wanneer er tijdens bijeenkomsten vragen worden gesteld, merken professionals van instellingen die deze stap niet hebben gezet, dat ze zich op onbekend terrein begeven.
Technisch managers moeten digitale ethiek en governance nu beschouwen als vaardigheden die bepalen of een implementatie maatschappelijk aanvaardbaar is, in plaats van als ‘soft skills’ die er achteraf nog even bij worden gehaald. Wetgeving zoals de Europese AI-verordening verplicht technische experts ertoe hun systemen te beoordelen op risico’s die buiten hun directe vakgebied vallen, zoals gevolgen voor de privacy, risico’s op discriminatie, milieu-impact en maatschappelijke consequenties. Zonder inzicht in de omgeving waarin technologie functioneert, zijn dergelijke beoordelingen onmogelijk.

De masterclasses van 2026 schetsen een beeld waarin de technologische ontwikkelingen de ethiek hebben ingehaald. De systemen bestaan al, terwijl de filosofische reflectie daarop achterblijft. Juist in de masterclass komt dit verschil aan het licht – soms op een ongemakkelijke manier, soms productief, maar altijd leerzaam voor wie bereid is het onderwerp serieus te nemen.
