Elke donderdagavond komen er meer dan 10.000 mensen naar een ABBA-tributeconcert in Rotterdam Ahoy. Niet voor ABBA zelf, die al jaren niet meer in de iconische line-up spelen, maar voor vier artiesten in glitterpakken die Dancing Queen zo accuraat ten gehore brengen dat het publiek meedeint alsof het 1976 is. En dat is precies wat het publiek wil. Niemand is ontevreden.
De tributeband is niets bijzonders. Ze zijn bekende namen op de aankondigingsborden, treden regelmatig op in middelgrote zalen en zijn een vaste waarde op de agenda’s van popzalen en theaters door het hele land. Plekken zoals Ahoy zitten vol met ‘We All Sing ABBA’. Elk jaar treden Queen-tributebands op bij tientallen evenementen. Van Groningen tot Maastricht staan Beatles-bands op het podium. Ze zijn geen uitzondering. Ze vormen een aanzienlijk deel van wat het publiek te zien krijgt.
De oplossing voor de vraag waarom is eenvoudiger dan het op het eerste gezicht lijkt. Per definitie kan een optreden van een nieuw of onontdekt talent niet hetzelfde vertrouwen wekken als een tributeconcert. Iedereen die naar een ABBA-tributeconcert gaat, kent de setlist. Queen of Dancing. Mamma Mia, Waterloo. Fernando. Ongeacht wie er optreedt, de herkenning van die nummers binnen de eerste paar maten roept een reactie op, omdat ze zo diep in het collectieve geheugen van vele generaties gegrift staan. De nummers worden uitgevoerd door muzikanten; de originelen deden decennia geleden al het emotionele werk.
Nieuw talent mist dat essentiële voordeel. Wanneer een artiest voor het eerst een zaal betreedt, wordt van het publiek verwacht dat ze geduld hebben – luisteren naar muziek die ze niet kennen, een band opbouwen die nog niet bestaat en oordelen vellen op basis van potentieel in plaats van wat ze al hebben laten zien. Dat is een heel ander soort concertavond, en een aanzienlijk deel van het Nederlandse publiek is daar misschien niet naar op zoek als ze op een donderdag vrij zijn.
De gemeenschapscomponent is een ander aspect. Op een schaal die een nieuwe artiest met een eigen setlist simpelweg niet kan bereiken, fungeert een tributeconcert als een collectief meezingmoment. Bij een ABBA-concert kent iedereen in het publiek elk woord. Elk woord. Daardoor wordt het concert, in tegenstelling tot een typisch popconcert, mede door het publiek zelf gecreëerd – een gezamenlijke manifestatie van gedeelde kennis die de grens tussen podium en publiek doet vervagen.
Tributebands investeren flink in die illusie. De topbands oefenen de vocale harmonieën van de originelen tot in de puntjes, creëren kostuums die passen bij de tijd en stemmen hun geluidsproductie af op de originele arrangementen. Dit vereist een bijzondere vorm van vakmanschap die serieus genomen moet worden; het gaat om de professionele reproductie van artistiek werk dat al een standaard heeft gevestigd, niet om het kopiëren door amateurs.

Afhankelijk van je standpunt kan dat al dan niet gunstig zijn voor de Nederlandse livemuziekcultuur. In een markt die de voorkeur geeft aan het bekende, is het voor nieuw talent moeilijker om een publiek te bereiken. Een groot deel van het publiek bij de uitverkochte ABBA-tributeconcerten bestaat echter uit fans die misschien niet eens naar de concerten van nieuwe artiesten gaan. Daardoor is het probleem complexer dan het aanvankelijk lijkt.
