Het begint meestal klein. De afstudeervoorstelling vond plaats in een kleine studio in Rotterdam of Arnhem. Er waren dertig zitplaatsen, waarvan de helft bezet was door medestudenten. Maar voor sommige jonge kunstenaars was dat nog maar een paar jaar geleden, en nu staat hun naam op de affiche van het Koninklijk Theater Carré. Dat is best een grote stap. Carré is geen eindpunt. Carré is een tussenstation.
Er is een verandering gaande in het Nederlandse theater waarvan moeilijk te zeggen is wanneer die precies is begonnen. De nieuwe generatie theatermakers kijkt anders tegen dingen aan dan de oude generatie. Het is niet zo dat ze beter of slechter zijn, maar hun toon, stijl en publiek zijn anders. Ze gebruiken sociale media niet om hun muziek te promoten, maar om hun artistieke stem te laten horen. Omdat ze zelf tot die doelgroep behoren, weten ze waar hun leeftijdsgenoten in geïnteresseerd zijn.
Het is niet zo eenvoudig als het klinkt. Er is meer nodig dan alleen een nieuwe look om theater te maken voor tieners en jongvolwassenen die gewend zijn aan streamingdiensten en korte video’s. Het moet echt zijn. Jonge makers lijken dat zonder erbij na te denken te weten. Zaken als identiteit, maatschappelijke druk en persoonlijk verlies zijn voor hen niet zomaar ideeën; ze schrijven erover alsof het echt is. En het publiek in de zaal voelt dat.

De productie van „The Little Big Things“ in Carré, geregisseerd door Ola Mafaalani, wordt vaak genoemd als mensen het over deze trend hebben. Het stuk, gebaseerd op een waargebeurd verhaal, gaat over herstel en kracht. Het heeft iets wat veel modern theater mist: het gelooft in iets. Het gebruikt cynisme of koele ironie niet als schild. Iets wat misschien zo hard aankomt bij een publiek dat gewend is aan ironie, maar er stilletjes genoeg van begint te krijgen juist vanwege dit.
Tegelijkertijd is er een kruisbestuiving die tien jaar geleden nog niet zo vaak voorkwam. Jonge kunstenaars zijn niet bang om in verschillende genres te werken. Popmuziek, theater, dans en gesproken tekst worden allemaal met elkaar vermengd op een manier die men vroeger rommelig zou hebben gevonden. Nu vinden mensen het cool. Met meer dan 130.000 bezoekers werd de Broadway-musical Hadestown een van de populairste recente voorstellingen in Carré. Dit toont aan dat er een groot publiek is dat graag geniet van genres die op het eerste gezicht haaks op elkaar lijken te staan.
Niet alleen dat, ook theaters buiten de Randstad nemen dit zeer serieus. In 2023 startten Stichting Kunst & Cultuur en Theater De Tamboer in Drenthe het project Het Nieuwe Goed. Zes weken lang kregen negen jonge kunstenaars een vergoeding en de vrijheid om nieuwe dingen uit te proberen. Dit soort projecten geeft een signaal af: mensen in het vak weten dat het ontwikkelen van talent geen toeval is. Het heeft ruimte, structuur en mensen nodig die bereid zijn risico’s te nemen, ook vanuit instellingen die daar niet altijd even goed in zijn geweest.
Het is nog niet duidelijk of deze opleving op de lange termijn standhoudt. Het is geweldig als de zalen vol zitten, maar dat vertelt niet het hele verhaal. Als deze generatie voor het eerst naar het theater gaat, komen ze dan over vijf jaar terug? Dat is de echte vraag. Die vraag heeft nog geen antwoord. Maar het is duidelijk welke kant we op moeten. De Nederlandse theaterwereld wordt veranderd door iets dat zich in hoog tempo ontwikkelt.
