Als we het over festivals hebben, zeggen we soms vreemde dingen. Veel mensen zijn geïnteresseerd in Tomorrowland, Lowlands en Pinkpop omdat het grote namen zijn. Maar op een zaterdagmiddag in augustus wordt er in een dorpje met 3.000 inwoners een tent opgezet op het marktplein. Er hangen kransen. Een lokale band speelt covers. De bakker heeft extra broodjes gebakken. De kroeg aan de overkant doet het voor het eerst in maanden weer heel goed. In het nieuws wordt niet over dat festival gesproken. Maar het houdt wel iets in stand.
Het is meer waar dan in de meeste beleidsdocumenten staat dat festivals een effect hebben op de economie van plattelandsgebieden. Mensen van buiten het dorp of de omgeving zijn welkom om langs te komen, en dat doen ze ook. Ze brengen cadeautjes mee en geven geld uit. Aan eten, drinken, parkeren en soms een overnachtingsplaats bij een boer die kamers verhuurt. Daarna circuleert dat geld verder. Een lokaal bedrijf verkoopt goederen aan het cateringbedrijf. De vrijwilliger die kleding bij de bar verplaatst, geeft zijn verdiende onkostenvergoeding in de omgeving uit. Dit is wat economen het „multiplicatoreffect“ noemen. Het werkt ook op kleine schaal, misschien zelfs nog wel sterker.
| Onderwerp | Details |
|---|---|
| Thema | Economische en sociale impact van festivals op plattelandsgemeenten |
| Geografische focus | Nederland en Vlaanderen, met nadruk op kleine kernen |
| Belangrijkste organisatie | Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen (LVKK) |
| Enquête | 130 organisatoren, september–oktober 2025 |
| Kernprobleem | Toenemende regeldruk, vrijwilligerstekort, onvoldoende erkenning door gemeenten |
| Economisch effect | Directe bestedingen, werkgelegenheid, multiplier-effect in lokale economie |
| Sociale waarde | Gemeenschapsgevoel, generatieverbinding, lokale identiteit |
| Toekomstperspectief | Kwetsbaar maar hoopvol — twee derde verwacht voortbestaan over vijf jaar |
Maar juist die kleinschaligheid staat onder druk. Uit een landelijke enquête van de LVKK onder 130 mensen die dorpsfeesten en andere lokale evenementen organiseren, blijkt dat 79% van hen vindt dat gemeentelijke regels in de weg staan. Het wordt steeds moeilijker om aan alle eisen op het gebied van veiligheid, vergunningen en papierwerk te voldoen. Soms moet een dorpsfeest met slechts 150 mensen aan dezelfde normen voldoen als een groot evenement. Iemand die aan de enquête meedeed, zei: „Wat vroeger in één avond geregeld kon worden, kost nu veertig uur papierwerk.“ Die zin blijft je bij. Veertig uur. Voor een evenement in een dorp.
Dit betekent dat er meer op het spel staat dan alleen een leuk weekend. Drie op de vijf organisatoren denken dat hun evenement over vijf jaar nog steeds zal plaatsvinden. Dat is een hoopvolle, maar verre van zekere gedachte. Zo zegt 72% dat de druk van regelgevers hun enthousiasme tempert, en 50% noemt het gebrek aan vrijwilligers een directe bedreiging. Dorpsfeesten zijn afhankelijk van mensen die bereid zijn om een handje te helpen. Mensen stappen op als het werk om de groep draaiende te houden hen te veel wordt. Wat als sommige mensen niet komen opdagen? Dan houdt het feest op. En als het feest voorbij is, verdwijnt er iets dat moeilijk terug te krijgen is.

Er is ook een breder economisch perspectief dat onvoldoende aandacht krijgt. Als het gaat om het aantrekken van bezoekers en het genereren van inkomsten, hebben plattelandsgemeenten het al moeilijker dan steden. Een jaarlijks festival is dus meer dan alleen een leuk evenement; het is een kans voor mensen om de regio te ontdekken, voor de horeca om in leven te blijven en voor lokale producenten om gevraagd te worden hun producten te leveren. Festivals kunnen plattelandsgebieden helpen hun economie weer op gang te brengen, vooral als ze een vast onderdeel van het lokale beleid worden. Het lijdt geen twijfel dat dit niet vanzelf gebeurt. Het is ook duidelijk dat de kans er is.
Het grappige is dat de meeste steden en dorpen de maatschappelijke waarde van dorpsfeesten wel degelijk erkennen. Toch heeft bijna 65% van de organisatoren het gevoel dat de lokale overheid hen onvoldoende erkent. Er is een verschil tussen erkend worden en daadwerkelijk geholpen worden. Het helpt niemand als de beleidsmedewerker instemmend knikt en vervolgens voor het evenement dezelfde vergunningsregels hanteert als voor een stadsfestival.
De LVKK wil vergunningen die langer dan een jaar geldig zijn, een vaste evenementencoördinator voor de gemeente en minder bureaucratie voor kleine evenementen. Dit klinkt heel bescheiden, wat wellicht de reden is waarom het zo lang duurt.
Het komt allemaal neer op één simpele vraag: hoeveel is een levend dorp waard? De antwoorden liggen voor de hand: in de overvolle kroeg, het extra geld bij de bakker, en het kind dat voor het eerst naar een lokaal festival gaat en zich dat na al die jaren nog steeds herinnert. Er zijn niet altijd harde cijfers die laten zien hoe festivals de economie van plattelandsgebieden beïnvloeden. Maar het gebrek daaraan is dat zeker wel.
