In de laatste week van juni zou iedereen die door Amsterdam liep wel iets hebben opgemerkt. Niets bijzonders. Er waren alleen maar studenten met scripts onder de arm, programmeurs die van hot naar her renden, en mensen die niet wisten wat ze konden verwachten. Dat was het ITS Festival. Er hing een vleugje twijfel in de lucht, wat waarschijnlijk het meest oprechte was dat het traditionele theater in jaren te bieden had.
De oude manier van theater maken is dood. Dat klinkt harder dan het bedoeld was, maar het heeft geen zin om het mooier voor te stellen dan het is. De manier waarop het nu gaat: een gezelschap maakt een voorstelling, speelt die zes weken lang, en ziet hem vervolgens verdwijnen alsof er nooit iets is gebeurd. Dit jaar liet ITS iets anders zien. Er komt geen luidruchtige revolutie; in plaats daarvan zal er een stille verandering plaatsvinden in hoe jonge kunstenaars denken over wat theater is en waar het thuishoort.
Het festival vond plaats op locaties als Frascati, De Brakke Grond en het Openluchttheater in het Vondelpark. Deze spreiding was niet alleen een keuze uit gemak; het had een duidelijke boodschap. Theater speelt zich niet alleen af in een donkere zaal met rode stoelen en een gordijn; het kan overal plaatsvinden waar iemand het wil zien. Hoewel dat idee eenvoudig lijkt, heeft het zeer grote gevolgen.

Het was juist de mix van verschillende disciplines die ITS onderscheidde van het reguliere theaterseizoen. Er was mime en dans, cabaret en spoken word, een Canadese productie en een Amsterdamse afstudeervoorstelling. Het was soms erg ongeorganiseerd, maar dat was juist de bedoeling. Het reguliere theaterseizoen verdeelt verschillende soorten werk netjes in aparte hokjes. ITS zei dat ze dat niet zouden doen. Toen ze nee zeiden, zat daar iets oprechts in.
Er wordt al lang gesproken over wat er verloren gaat als voorstellingen na een korte speelperiode eindigen. Jaren geleden verwoordde Jan Joris Lamers het heel treffend: een acteur die Hamlet speelt, heeft daar maar een paar maanden de tijd voor. Niemand anders neemt dezelfde rol op zich, er is geen ruimte voor interactie tussen verschillende interpretaties, en er blijft geen herinnering over. Het theater gooit zijn eigen geschiedenis weg. Het ITS-festival gaf echter geen duidelijk antwoord op deze vraag. In plaats daarvan bracht het de kwestie opnieuw ter sprake. Jonge kunstenaars die hier hun werk tonen, werkten aan dingen die nog niet helemaal af waren. Dit was met opzet gedaan. De planning maakte ruimte voor wat nog niet af was en voor het proces zelf.
Er is iets vreemds aan de manier waarop het traditionele theater onzekerheid altijd heeft gezien als een probleem dat moet worden opgelost voordat de voorstelling begint. Aan de andere kant lijkt juist die onzekerheid de plek te zijn waar nieuw theater begint. Niet omdat ze de makkelijke weg willen kiezen, maar omdat ze een andere opvatting hebben van wat een voorstelling kan zijn. Geen afgewerkt product dat aan het publiek wordt getoond, maar iets dat nog leeft.
Het ITS-festival is in 2021 gestopt, vooral omdat het geld dat het ontving elk jaar van eigenaar wisselde en nooit enige zekerheid bood. In het Nederlandse theater is dat een verhaal dat iedereen kent. Het ENTER-festival, georganiseerd door ENT, wil die traditie voortzetten. Het valt nog te bezien of het dezelfde betekenis zal krijgen. Naam maken kost tijd. Nou ja, dat geldt ook voor reputaties. En namen die nu bekend zijn in het Nederlandse theater, waren hier vroeger ook onbekend.
Wat overblijft is de vraag die het ITS altijd heeft gesteld, en die dit jaar weer duidelijk naar voren kwam: hoe klein is theater eigenlijk in vergelijking met de mensen die erin werken? Jonge kunstenaars gaven dit jaar geen schriftelijk antwoord. Er werd gekozen voor het park, het kleine theater en het onafgemaakte stuk. De oude manier van theater maken is dood. Maar in de ruimte die het heeft achtergelaten, is er iets in beweging.
