Er zijn momenten in een theatercarrière waarop alles kan veranderen. Een daarvan is de première. De lichten zijn uit, de zaal zit vol met mensen. In het donker zit iemand met een notitieblok. Wat die persoon ’s ochtends opschrijft, kan bepalend zijn voor de kansen van een jonge artiest om over drie jaar nog steeds op het podium te staan. Voor slechts één avond is dat een hele klus.
Die druk is voor recensenten goed te begrijpen. Als de Theaterkrant of de Volkskrant een slechte recensie schrijft, verandert dat de situatie voor de theaters, bijvoorbeeld hoe ze de maker zien en hoeveel mensen er naar de voorstellingen komen. Erik van Muiswinkel zei het ooit ronduit: „Goede recensies vullen de zalen, slechte recensies maken ze leeg.“ Ja, dat is een waarheid als een koe. Zo werkt het nu eenmaal.
| Onderwerp | Theaterkritiek en jonge makers in Nederland |
|---|---|
| Publicatie context | Nederlands theaterlandschap, o.a. Theaterkrant, Volkskrant |
| Relevante platforms | Theaterkrant, de Volkskrant, Het Parool, NRC |
| Betrokken partijen | Jonge theatermakers, recensenten, schouwburgen, dramaturgen |
| Kernthema | De impact van negatieve recensies op beginnende carrières |
| Geografische focus | Nederland |
| Tijdsperiode | Heden, met verwijzingen naar recente seizoenen |
Maar er klopt iets niet aan die redenering. Een recensie gaat over één avond. Eén voorstelling, op een bepaalde datum, voor een bepaalde groep mensen. Jonge kunstenaars werken soms jaren aan hun eerste grote project, en dan beoordeelt iemand het in anderhalf uur, waardoor een stempel wordt gedrukt die maandenlang blijft hangen. Ja, het is een mening. Zoiets als een mening, maar dan wel een die op feiten is gebaseerd.
Iemand heeft ooit iets gezegd dat me echt is bijgebleven: er zijn makers die aan het begin van hun carrière slechte recensies kregen, maar nu worden geprezen. Ze kregen gewoon de tijd om te groeien. Die tijd krijgt niet iedereen. Daarin schuilt het probleem.

Mensen in de Nederlandse theaterwereld hebben De Grote Boze Criticus altijd als een slechterik gezien. Jonge kunstenaars praten er onderling over, en soms hebben ze veel respect voor critici en soms klinken ze alsof ze echt bang zijn. Nuno Blijboom, die zowel dramaturg als criticus is, verwoordde het treffend: er kunnen ook recensies komen die je „een beetje bang“ maken. Dat is een veelzeggende uitdrukking. Er is geen woede of haat. Alleen maar angst.
Mensen in de theaterwereld zouden meer aandacht moeten besteden aan die angst. Niet als reden om kritiek af te schaffen – die is nuttig en zelfs noodzakelijk. Maar er is een verschil tussen kritiek die dingen erger maakt en kritiek die dingen beter maakt. Een criticus kan de zaken van een afstand bekijken. Een jonge kunstenaar niet. Zij staan open en zijn zoekend, midden in het werk, nog steeds aan het uitzoeken wat hun stem is.
Ook is er iets vreemds aan de manier waarop een driesterrenrecensie werkt. Het is logisch om drie sterren te geven. Maar uit gesprekken met komieken blijkt dat het aanvoelt als een oordeel dat mensen wegjaagt zonder echt uit te leggen waarom. Drie sterren is prima. Maar ‘oké’ verkoopt geen kaartjes. En voor een nieuwe artiest kan dat het verschil betekenen tussen wel of geen tweede project.
Het is misschien niet de vraag of recensenten strenger of vriendelijker moeten zijn. De echte vraag is wellicht of één recensie wel zoveel macht zou moeten hebben. Als theaters beslissingen nemen op basis van krantenknipsels of als subsidieaanvragers sterren tellen, zegt dat systeem meer over hoe de zaken in elkaar zitten dan over hoe goed het werk is.
Sommige makers komen de storm te boven. Zij die niet opgeven, die een nieuwe productie maken en die na jaren opgemerkt worden. Maar hoeveel makers stoppen stilletjes en zonder dat iemand het merkt, net op het moment dat ze op het punt stonden te beginnen? Niemand weet het. En dat is waarschijnlijk het meest ongemakkelijke aan dit alles.
