In het najaar van 1978 ging een groep mensen naar het theater om iets spannends te zien. Ze zagen vijf mensen die niet bewogen. Geen rollen, geen tekst en geen mensen. Ze waren er gewoon, en het sloeg nergens op. Mensen waren van streek, boos en in sommige gevallen beledigden ze het toneel ronduit. De mime-groep Nieuw West zette mensen aan het denken over iets wat ze nog niet hadden kunnen benoemen.
Zelfs nu, decennia later, is die avond moeilijk te vergeten – niet omdat de voorstelling zo geweldig was, maar omdat ze een vraag opriep die nog steeds niet is beantwoord. Hoeveel kost een acteur eigenlijk als hij niets doet? En bovendien: wat is het nut van theater als de acteur niet langer nodig is als iemand die acteert, spreekt en voelt?
| Onderwerp | Het post-menselijke theater in de Europese podiumkunsten |
|---|---|
| Sleutelbegrip | Post-dramatisch theater, afwezigheid van de acteur |
| Historische context | Van Hamburger Nationaltheater (1767) tot Nieuw West (1978) |
| Centrale denkers | Hans Thies Lehmann, Elinor Fuchs, Rousseau, Schiller |
| Relevante gezelschappen | Nieuw West, The Wooster Group, Volksbühne Berlijn |
| Geografische focus | Nederland, Vlaanderen, Duitsland, VS |
| Kernvraag | Wat blijft er van theater over als de acteur niet meer noodzakelijk is? |
| Verwante termen | Postdramatisch theater, death of character, presence, mimesis |
Er heeft altijd iemand op het podium gestaan die het theater zijn legitimiteit geeft. Vanaf de oprichting van het Hamburger Nationaltheater in 1767, mede dankzij Lessing, werd het theater gezien als een morele en sociale instelling. Sommigen zeggen dat Friedrich Schiller het het beste verwoordde: „Het theater is de plek waar kunst en leven samenkomen, en waar de toeschouwer ziet hoe hij zou moeten leven.“ Wat een prachtig verhaal. Het verhaal is ook gebaseerd op het idee dat er iemand op het podium staat die iets te zeggen heeft.
Dat idee begon aan het eind van de 20e eeuw af te brokkelen. Al in de jaren tachtig noemde Elinor Fuchs het „de dood van het personage“. Ze bedoelde niet dat de acteurs niet meer kwamen opdagen; ze bedoelde dat het dramatische personage, dat duidelijke, psychologische, acteerachtige iets, uiteenviel. Bij de in New York gevestigde Wooster Group waren er gespleten stemmen, videobeelden en lichamen die niet bij elkaar pasten. Masha sprak, maar je zag haar niet. Of je zag haar wel, maar de stem kwam ergens anders vandaan. Het was theater dat het vertrouwen in zichzelf had verloren.
Hans Thies Lehmann noemde dit ‘postdramatisch theater’, en dat is een goede omschrijving: het is een verschuiving van mimesis naar aanwezigheid, van nabootsing naar een focus op het hier en nu van de voorstelling zelf. Het onderwerp verschoof van wat er werd gespeeld naar het feit dat er iets gebeurde. Die gedachte is zowel eerlijk als schokkend. Het theater gaf eindelijk toe dat het de werkelijkheid niet kan nabootsen; het kan alleen zijn eigen werkelijkheid creëren.

Wat gebeurt er echter als je die gedachtegang helemaal tot het einde volgt? Als de acteur niet nodig is om een rol te spelen, is hij dan nog wel nodig als fysieke aanwezigheid? Technologie maakt die vraag steeds concreter. Digitale performers, door AI gegenereerde stemmen en holografische beelden kunnen dingen doen die echte acteurs niet kunnen, zoals herhalen zonder moe te worden, meer dan één versie maken zonder extra geld uit te geven, en verschijnen zonder er daadwerkelijk te zijn. Er is geen twijfel, geen zweet en geen tijdverlies als er iets misgaat. En dat is misschien juist het probleem.
Om aan te tonen – misschien niet met opzet – maar het Nieuw West-theater toonde in 1978 aan dat de aanwezigheid van de acteur de essentie is. De irritatie van het publiek betekende niet dat ze het experiment niet waardeerden. Het was een reactie op een lichaam dat niet werkte zoals het hoorde. Die weigering was levend, mogelijk en menselijk. Die weigering kan door een algoritme worden nagebootst, maar het kan het niet echt menen.
Het theater is gevaarlijk, niet vanwege wat er op het podium gebeurt, maar vanwege wat er in het publiek gebeurt. Rousseau zag dit al in 1758. De politieke arena is de relatie tussen de voorstelling en de mensen die ernaar kijken. Wat is het nut van een gebouw met stoelen en een podium als die gemeenschap steeds meer uit elkaar valt en als het scherm het theater al lang heeft vervangen als plek waar mensen met elkaar praten?
Posthumaans theater is misschien niet het einde, maar eerder een manier om dingen te herstellen. Een herinnering dat het podium nooit alleen om de acteur is gegaan; het is altijd gegaan om hoe mensen in een ruimte met elkaar omgaan. Die ontmoeting kan plaatsvinden met een stilstaand lichaam, een stukje stem of een projectie. Aan beide kanten moet er echter nog steeds iemand zijn die bereid is om er te zijn. Machines kunnen machines dat in ieder geval nog niet laten doen.
