De Nes is op de een of andere manier veranderd. Voor mensen die er tien jaar geleden nog doorheen liepen, ruikt het er misschien nog steeds naar koffie en theaterstof. Ze herinneren zich wellicht nog de handgeschreven bordjes in de etalages en de stilte die er heerste vlak voordat de avondvoorstellingen begonnen. De straat leefde op zijn eigen tempo. Dat tempo voelt nu anders aan. Het is sneller, serieuzer en heeft minder geduld met zichzelf.
Al honderden jaren wordt de Nes, een smalle straat die tussen de Dam en de Langebrugsteeg loopt, beschouwd als het theatercentrum van Amsterdam. In de negentiende eeuw openden hier de eerste theaters hun deuren. Voor veel Amsterdammers betekenen Frascati, De Brakke Grond en Vereniging Ons Huis meer dan alleen een gebouw. Het zijn belangrijke onderdelen van de cultuur van de stad, die langzaam maar zeker tot het uiterste wordt gedreven.
Al jaren wordt er in Amsterdam gesproken over het fenomeen „gentrificatie“. Wouter van Gent is een sociaal geograaf die onderzoekt hoe het huisvestingsbeleid buurten minder gelijkwaardig heeft gemaakt. Gentrificatie gaat echter niet alleen over woningen. Wat er verdwijnt wanneer een buurt te mooi wordt voor zijn eigen bestwil, wordt ook in het verhaal belicht. De Nes is hier een heel goed voorbeeld van. De straat ligt midden in de stad, dicht genoeg bij zowel de Kalverstraat als het Rokin om er naartoe te lopen. Dit is precies waar onroerend goed het duurst is en investeerders het langst moeten wachten.

Theatereigenaren hebben hun investeerders niet veel te bieden. Ze zijn afhankelijk van kleine bedragen uit subsidies en van mensen die bereid zijn jarenlang hard te werken voor een schamel loon. Dat is al heel lang zo. Maar wat mensen vroeger als een onderdeel van het stadsleven beschouwden, wordt nu steeds vaker gezien als een verspilling van dure vierkante meters. Daar moet toch iets griezeligs aan zijn.
Aan de andere kant is het niet zo simpel als „geld wint, cultuur verliest“. De Nes heeft eerder moeilijke tijden doorgemaakt. Na de oorlog kwam het culturele leven in Amsterdam vrijwel tot stilstand. In de jaren zeventig zou de straat worden gesloopt. Maar de straat kwam keer op keer terug. Misschien heeft de plek zelf een koppigheid die moeilijk te verklaren is, maar je voelt het wel als je er op een doordeweekse avond doorheen loopt en ziet dat er weer een aankondiging van een première hangt op een houten bord dat er al decennia staat.
Toch is er reden tot bezorgdheid. Sociologe Samira Shadid vertelt hoe jongeren en oude bewoners langzaam uit de stad worden verdrongen om plaats te maken voor rijke nieuwkomers. Deze druk treft ook culturele instellingen, maar op een andere manier. De theatergezelschappen die de Nes groot hebben gemaakt, werken in een stad die hen automatisch steeds minder ruimte geeft. Er is druk op de subsidies. Huurcontracten worden niet automatisch verlengd. De markt werkt op zijn eigen manier, en die manier geeft niet veel om erfgoed.
Over tien jaar wordt de Nes misschien met dezelfde nostalgie bekeken als sommige wijken in Amsterdam-Noord nu worden bekeken. Men zal zich afvragen waarom er niets is gedaan toen het nog mogelijk was. Dat zou kunnen gebeuren, maar het is nog niet zeker. Er zijn echter tekenen. Wie ze wil zien, hoeft alleen maar ’s avonds langs de Nes te lopen en goed op te letten welke deuren open zijn en welke gesloten.
