Er gebeurt iets in het Moreelsepark in Utrecht dat moeilijk te beschrijven is. De geur van versgebakken pretzels hangt in de lucht en er speelt een liveband. Mensen lopen van tent naar tent, kinderen hangen aan de schommels van een draaimolen en volwassenen staan voor kleine podia alsof ze daar toevallig zijn beland. Toch is het geen toeval. Dit is een toneelstuk. Een oud theater. Ouder dan de meeste bezoekers denken.
De eerste festivals zoals De Parade vonden in de jaren negentig plaats in Nederlandse steden. Ze bouwden voort op ideeën die toen al bestonden. Ze gaan terug tot de Italiaanse renaissance, naar de piazze van Florence en Rome, waar rondtrekkende theatergezelschappen mensen konden vermaken met slechts een kar, wat gordijnen en een paar acteurs. Het was geen theater voor een beleefd, binnenshuis zittend publiek, zoals de Commedia dell’arte dat was. Het was theater voor mensen die buiten stonden, mensen die misschien geen kaartje hadden gekocht maar ervoor kozen om langer te blijven omdat ze om 15.00 uur toevallig langskwamen.
Dat gevoel van iets per toeval ontdekken en er interesse in krijgen, is precies wat De Parade al decennia lang probeert levend te houden. En alles wijst erop dat ze daarin slagen. Dit jaar trok het evenement in Utrecht opnieuw duizenden mensen naar het Moreelsepark, dat doorgaans niet als een cultureel centrum wordt gezien. De waarheid is dat het dat een paar weken lang ook daadwerkelijk was.

Het is misschien makkelijk om De Parade te zien als een gewoon zomerfestival, maar dat klopt niet helemaal. Bij parktheater draait het om elkaar leren kennen, terwijl muziekfestivals draaien om grote namen en hoofdpodia. Vijftig mensen zitten in een tent. Een artiest op slechts 1,5 meter afstand. Je wilt niet dat de versterker je stem overstemt. Het is niet zomaar een nostalgische truc om mensen het gevoel te geven dat ze dichtbij zijn; het is een bewuste keuze.
Dit is waarschijnlijk de reden waarom een festival als dit zo anders aanvoelt dan een stadionconcert. De Italianen wisten dit al lang geleden. Het park als podium heeft iets wat een gewoon theater niet helemaal kan evenaren: de wereld draait gewoon door. Er rijdt een fiets voorbij. Ergens lacht iemand te hard. De flap van een tent wordt door de wind heen en weer geslingerd. Het publiek blijft echter kijken, of misschien juist juist daarom. De manier waarop kunst en het dagelijks leven samenkomen, zorgt ervoor dat je juist meer aandacht schenkt in plaats van minder.
Het is ook interessant hoe het festival er elk jaar weer in slaagt om mensen voor een korte tijd bij elkaar te brengen. Vreemden zitten naast elkaar en kijken naar een voorstelling. Ze reageren allemaal op dezelfde manier, lachen op dezelfde manier en zijn op dezelfde manier stil. Dat moment waarop iedereen samen is – kort, vluchtig, maar echt – is misschien wel het oudste wat theater te bieden heeft. En het gebeurt niet in een zaal met gereserveerde plaatsen. In plaats daarvan zitten mensen op het gras met een drankje in de hand.
Het is niet duidelijk of dit bedoeld was als een verwijzing naar Italiaanse tradities of dat het gewoon zo is gelopen. Waarschijnlijk een combinatie van beide. Toch is het verbazingwekkend dat deze formule al zo lang werkt. De Parade treedt al meer dan dertig jaar op in Nederlandse steden als Utrecht en Rotterdam, en ze vinden altijd een publiek dat niet eens naar hen op zoek was.
Ik voel me beter als ik aan dat idee denk. Mensen brengen tegenwoordig steeds meer tijd door achter schermen, maar het parktheater houdt vast aan een eenvoudig idee: mensen buiten bij elkaar brengen, onder de sterren, voor iets dat ze niet kunnen overslaan of pauzeren. Het feit dat dit idee afkomstig is van Italianen op een marktplein in Florence, maakt het nog mooier.
